
We zitten met zijn vieren aan tafel voor het avondeten. Allemaal op onze vaste plek. Mama zit naast mij. Altijd. Dat vinden we allebei fijn.
“Niemand mag het weten,” zegt mama.
Ik vraag wat ze bedoelt.
“Niemand mag weten dat ik doodga.”
Ze zegt het gewoon. Dood. Ik ga dood. Ze meent het ook. Ik zie het aan haar blauwe ogen.
“Wat bedoel je, mama?” vraag ik, terwijl ik het antwoord eigenlijk al weet.
“Ze hoeven het niet te weten. Mijn broers en zussen. Ik heb niets van ze gehoord.”
Mama praat al een tijd negatief over haar broers en zussen. Het raakt haar zichtbaar.
Toen ze de diagnose Alzheimer kreeg, viel ze in een diep gat. Op dezelfde dag werd haar verteld dat ze geen auto meer mocht rijden.
Alzheimer doet iets met je inschattingsvermogen, met anticiperen in het verkeer en met nog zoveel meer.
Weg vrijheid. Weg zelfstandigheid.
Ze heeft vaak gezegd hoe erg ze haar auto mist.
Na de diagnose probeerde ik een appgroep in stand te houden om haar broers en zussen op de hoogte te houden. Er kwamen reacties, maar de betrokkenheid verdween langzaam. Het werd stil.
En mama’s eigen initiatief om contact te zoeken werd, door haar ziekte, ook steeds kleiner.
Maar wat verwacht je van iemand die altijd voor iedereen klaarstond? Die voor iedereen zorgde?
Die kaartjes stuurde, vaste belmomenten had en altijd belangstelling toonde.
En die zich nu zo in de steek gelaten voelt.
Het heeft mama tot haar laatste momenten beziggehouden. Mede daardoor heeft ze keuzes gemaakt.
Achteraf bleken het de juiste keuzes te zijn. Daar kom ik later op terug.
We ruimen de tafel af.
Elke dag dat mama bij ons is, volgen we dezelfde structuur. Dat geeft haar veiligheid en zorgt ervoor dat de Alzheimer iets minder op de voorgrond staat.
Het gesprek gaat verder.
Ik vertel mama dat ik haar familie niet zal informeren over de gesprekken die we met de huisarts hebben gehad en ook niet over haar euthanasiewens. Ik vertel haar nogmaals dat we nog niets weten of het nog kan. We hebben vrijdag weer een afspraak met de huisarts.
Mama houdt de placemats omhoog.
“In welk kastje horen deze?”
Ik wijs de plek aan.
“Zie je,” zegt ze. “Hier word ik nou gek van.”
“Dat maakt mij niet uit, mama.”
“Al moet ik nog zeshonderdvierentachtig keer vertellen waar de placemats horen, ik zal het je iedere keer opnieuw zeggen. Met alle liefde die ik voor jou voel.”
Ik hoop dat ik mijn mama nog heel vaak mag vertellen waar de placemats horen.
Maar ergens weet ik dat die momenten niet eindeloos zullen zijn.