Zwarte sliertjes

Hoe kan je werken en rouwen tegelijkertijd? Niet dus, in mijn geval.

Ik ben op kantoor en heb verschillende afspraken met de teams waarvoor ik verantwoordelijk ben.

Elke twee weken spreek ik ieder teamlid individueel. De zogenaamde bila’s.

Voor mij zijn dat de momenten om écht even in te checken.

Even geen werk.

Geen KPI’s

Geen omzet.

Geen churn.

Gewoon vragen hoe het met iemand gaat.

Tijdens mijn vakantie is besloten dat de bila’s voortaan volgens een vast format moeten verlopen. 

Een lijst met standaardvragen die vervolgens in een systeem moet worden vastgelegd.

…ook daar vind ik iets van…

Juist in deze periode besef ik hoe belangrijk een simpele vraag kan zijn.

Hoe gaat het écht met je?

Dat maakt soms het verschil.

Oprechte belangstelling tonen voor iemand.

Achter iedere medewerker zit een mens.

Een mens met een eigen verhaal, dromen, zorgen en behoeften. 

De belangrijkste vraag die ik in het proces rondom mama heb geleerd, is misschien wel:

“Waar heb jij behoefte aan?”

“Wat kan ik voor je betekenen?”

Het is ook precies de vraag die mijn eigen leidinggevende mij nooit stelt.

Dat doet pijn.

Ik heb een bila met Enna.

Ze werkt iets langer dan een jaar in mijn team.

Een jonge vrouw die precies weet wat ze wil.

Gedreven.

Ambitieus.

Ze durft te reflecteren, geeft feedback en staat ook open om feedback te ontvangen.

Soms een tikkeltje eigenwijs.

En juist daarom werk ik zo graag met haar samen.

Ik coach haar met veel plezier.

Haar gezicht spreekt boekdelen.

Ze heeft temperament.

Haar roots liggen buiten Nederland en ik geniet van haar openheid.

Authentiek.

Dat zie je tegenwoordig niet zo vaak meer.

Ik zie steeds vaker mensen die vooral met zichzelf bezig zijn.

Enna niet.

Zij durft mij te vragen hoe het écht met mij gaat.

Daardoor weet zij meer van mijn situatie dan de meeste collega’s.

Het wordt steeds moeilijker om mijn professionele masker op te houden.

Vroeger zette ik dat masker figuurlijk op zodra ik de trap van het kantoorpand opliep.

Werk was werk.

Privé was privé.

Maar dat lukt niet meer.

Rouwen en leidinggeven gaan voor mij niet samen.

Ik voel me steeds slechter.

Alles lijkt grijs.

Alsof er steeds minder licht binnenkomt.

Samen lopen we de standaardvragen door.

Haar werkzaamheden zijn op orde.

Daar hoeven we niet lang bij stil te staan.

Dan kijkt Enna me aan.

“Maar… hoe gaat het écht met jou?”

Ik voel de tranen direct opkomen.

Er gebeurt zoveel.

Meer dan ik kan dragen.

Vroeger lukte dat me.

Nu niet meer.

De kast in mijn hoofd staat op omvallen.

Alle lades liggen open.

Zelfs de grootste lade.

Luuk.

Zeventien jaar zorg.

Zeventien jaar aanpassen.

Niet klagen.

Gewoon doorgaan.

Ik vertel haar dat we één dag na de uitvaart van mama te horen kregen dat er iets niet goed is met de aanleg van Luuks aorta.

Dat nieuws sloeg B en mij volledig lam.

Onze dappere Luuk.

Een controle die eigenlijk alleen voor de zekerheid werd gedaan.

Zelfs de cardioloog vroeg zich vooraf af waarom hij Luuk überhaupt moest onderzoeken.

En toch…

Wéér iets.

We hebben het ziekenhuis laten weten dat we tijd nodig hadden.

De dag na zo’n bijzondere uitvaart was simpelweg te veel.

Ik vertel Enna wat de arts heeft gezegd.

Wat de mogelijke gevolgen zijn.

En vooral…

Dat we het zelf nog helemaal niet weten.

Enna begint te huilen.

Ze vertelt dat ze thuis met haar moeder over mij heeft gesproken.

Dat ze mij dapper vindt.

Maar vooral dat ze het zó oneerlijk vindt wat ons allemaal overkomt.

De tranen lopen over onze wangen.

Onze mascara loopt uit.

Zwarte sliertjes tekenen zich af op onze gezichten.

Op de ramen van de vergaderruimte hangen ook zwarte slierten.

Ze verduisteren het glas, zodat collega’s niet naar binnen kunnen kijken.

Vandaag ben ik daar dankbaar voor.

Want zo ziet niemand wat zich in deze ruimte afspeelt.

En terwijl ik naar die zwarte sliertjes op het glas kijk…

Besef ik dat ik mij precies zo voel.

Alsof er een donkere waas over mij heen hangt.

Mensen zien mij nog wel.

Maar niet meer helemaal.

Febo

De dag dat mama gaat hemelen.
Het avondeten

Donderdag 28 augustus 2025

De klok tikt.

17.00 uur.

Straks komen Luuk en B ook naar het huis van mama.

De laatste uren met haar.

Ik app B dat mama zin heeft in FEBO.

FEBO.

Wie had dat ooit gedacht?

Aan de andere kant is het eigenlijk heel logisch. 

Op donderdag eten mama, Luuk en ik vaker FEBO. Het ligt op de route als we terugkomen van de fysiotherapeut van Luuk.

Een vaste gewoonte.

Een van onze vele rituelen samen.

Maar FEBO als je laatste avondmaal?

Ik geef de bestelling door aan B. 

Zij zullen het ophalen onderweg naar mama. Er zit een FEBO Drive In op de route.

In dit hele proces maak ik keuzes. 

Ik stel kaders. Soms over grote dingen, soms over dingen die voor een ander misschien nergens op slaan.

Dingen waarvan ik nu al weet: dit wil ik na mama’s dood nooit meer doen.

FEBO eten wordt er één van.

Als B en Luuk binnenkomen, voelt het als een kleine verademing.

Even een beetje verlichting op de zwaarste dag uit het leven van mijn zus en mij.

B maakt een grapje.

We lachen zelfs even.

Op deze verschrikkelijk verdrietige dag.

Mama is blij om de mannen te zien en geeft ze allebei een dikke knuffel.

“Gezellig dat jullie er ook zijn.”

Ze lijkt zich nauwelijks bewust van wat wij allemaal voelen. Alsof zij zich bevindt in een andere dimensie. 

Misschien is ze er zelf ook bewust niet mee bezig.

Dat ze over een paar uur gaat hemelen.

Voor altijd bij de zon.

Nooit meer samen naar de fysio.

Nooit meer die ritjes van Zaandam naar Haarlem.

Nooit meer samen zingen met de liedjes die Luuk heeft uitgekozen.

Nooit meer mama’s hand op mijn been als een tekst ons allebei raakt.

Omdat er een herinnering aan vastzit.

Omdat we allebei precies weten welke.

Nooit meer samen FEBO.

Nooit meer.

Mijn zus en ik dekken de tafel.

Nou ja, dekken…

We zetten wat borden, bestek en glazen neer.

Er is nog een klein beetje frisdrank.

En een blikje Fanta.

Dat blikje is voor mama.

Voor straks.

Na het drinken van “ het drankje “ straks mag ze nog iets drinken. “Het drankje” zal vies smaken is ons verteld. 

Ze koos voor Fanta.

Geen twijfel.

Geen ander drankje kwam in haar op.

Fanta.

Ondanks dat mijn zus en ik boodschappen hebben gedaan, zijn we vergeten frisdrank voor onszelf te halen.

Maar je kunt ook niet aan alles denken als je weet dat je moeder vandaag doodgaat.

Vandaag.

Vanavond. 

Over een paar uur.

Straks.

Ongekend.

Ik kan niet eten.

Mijn patat smaakt naar niets. Het voelt alsof ik op papier kauw.

Ik zie Luuk wat in zijn bakje wroeten.

“Heb je genoeg gehad, man?” vraagt mama.

Luuk kijkt haar aan.

“Ja, oma.”

Mama pakt een paar van zijn patatjes.

Zij lust er nog wel wat.

Ze zit lekker te eten.

Ik kan er bijna niet naar kijken.

Nooit meer FEBO.

Nooit meer samen patatjes eten.

Nooit meer Fanta.

Nooit meer haar stem die aan Luuk vraagt of hij genoeg heeft gehad.

Zoveel dingen die straks nooit meer zullen gebeuren.

En ik zit hier tegenover haar.

Mijn mama is er nog.

Ze eet een paar patatjes.

Ze praat.

Ze lacht.

Ze is er.

Maar over een paar uur niet meer.

Ik probeer te begrijpen wat nooit meer betekent.

Maar dat kan ik niet.

Hoe kun je je voorstellen dat iemand er nooit meer zal zijn…

als ze gewoon nog tegenover je zit?

Donderdag

De dag dat we de euthanasie van mama plannen in de agenda’s

Mama en ik zitten weer samen in de wachtkamer van de huisartsenpraktijk in het dorp waar ze woont.

Het is rustig. Misschien komt het door de zomervakantie, misschien door het tijdstip.

08.30 uur.

Alles in de wachtkamer is nog precies hetzelfde.

Mijn ogen glijden door de ruimte en ik vraag me af hoe vaak ik hier de afgelopen zeven weken inmiddels ben geweest.

Met mama’s fysieke gezondheid is eigenlijk nooit iets mis geweest.

Gek dat we juist in de laatste fase van haar leven zo vaak bij de huisarts zitten.

Afgelopen dinsdag heb ik hem telefonisch gesproken.

Eigenlijk zou hij maandag bellen.

Maar het bleef angstvallig stil.

De hele maandag hield ik mijn telefoon bij me. Ik durfde hem nauwelijks los te laten. 

Zelfs niet als ik naar het toilet ging of wilde douchen.

Alsof ik door één gemist telefoontje de controle over alles zou verliezen.

Voor zover ik überhaupt nog controle heb.

Alle rust die ik tijdens onze vakantie op Ibiza had gevonden, is verdwenen. 

Daarvoor in de plaats zit een soort permanente angst in mijn lijf.

Paniek.

Ik ben boos en verdrietig tegelijk en kan maar aan één ding denken:

Mijn mama heeft nog maar een paar dagen.

En ik ben zo verschrikkelijk bang.

Voor mama is het goed.

Soms lijkt ze zich niet volledig te realiseren dat haar laatste dagen zijn aangebroken.

Dat is lastig.

Pijnlijk.

Maar misschien ook wel beter.

Ik leer steeds meer dat er in deze situatie geen goed of fout bestaat.

De uren op maandag tikken voorbij.

Nog steeds geen huisarts.

Is hij ons gewoon vergeten?

Het maakt dezelfde woede in mij los die ik vaker tijdens dit proces heb gevoeld.

Ik raak geïrriteerd door mensen.

Ik.

Degene die altijd als een mensenmens wordt omschreven.

Maar mensen kosten mij op dit moment vooral heel veel energie.

Ze zeggen weleens dat je mensen pas echt leert kennen als het leven moeilijk wordt.

Ik begin te begrijpen wat daarmee wordt bedoeld.

Mensen die altijd onderdeel waren van mijn leven verdwijnen naar de achtergrond. 

Door wat ze zeggen.

Of juist niet zeggen.

Door wat ze doen.

Of juist niet doen.

Ik heb er geen energie meer voor.

En mijn tranen zijn te kostbaar.

Die zijn voor mama.

Niet voor mensen van wie ik het gevoel heb dat ze niet begrijpen wat wij doormaken.

Maar er gebeurt ook iets anders.

Er zijn banden die juist nu sterker worden.

Vriendschappen die er altijd al waren, maar ineens nog mooier en intenser voelen.

Familiebanden die verdiepen.

De gesprekken met mijn vader tijdens onze vakantie op Ibiza.

Ze zitten in mijn hart.

Maandagmiddag bel ik uiteindelijk zelf naar de huisartsenpraktijk.

Ik vertel dat ik het niet prettig vind dat ik niet ben gebeld. 

Mijn lontje is kort.

Heel kort.

De assistente zegt dat ze het zal doorgeven en verwacht dat de huisarts mij dinsdagochtend terugbelt.

Gelukkig doet hij dat.

We maken een afspraak voor donderdag 21 augustus.

En nu zitten we hier.

Samen.

De huisarts roept ons binnen.

Hij lijkt gespannen.

Of misschien beeld ik mij dat in.

We nemen plaats op de stoelen voor zijn bureau.

Hard en ongemakkelijk.

Net als deze situatie.

Hij vraagt mama opnieuw waarom we hier zijn.

“Ja,” zegt ze duidelijk.

“Omdat ik euthanasie krijg.”

Die ene zin.

Iedere keer opnieuw doet hij iets met mijn hele lichaam.

Paniek.

Angst.

Woede.

Verdriet.

Alles tegelijk.

Maar zoals iedere keer dat mama deze woorden uitspreekt, probeer ik me groot te houden.

Er rolt een traan over mijn wang.

Ik pak een tissue uit de doos op het bureau.

Daar staan ze immers voor.

De huisarts legt de procedure nog een keer uit.

Mama en ik knikken.

Ik ken hem inmiddels uit mijn hoofd.

Helaas.

Hij staat in mijn geheugen gegrift.

De huisarts heeft eerder aangegeven dat hij de euthanasie graag aan het einde van zijn werkdag wil uitvoeren.

Na een euthanasie gaat hij liever niet meer terug naar de praktijk.

Dat begrijp ik.

Zoiets gaat ook een huisarts niet in de koude kleren zitten.

Daarna wil hij naar huis.

Naar zijn jonge gezin.

Hij kijkt naar het scherm van zijn computer.

Even is het stil.

Dan zegt hij:

“Donderdag 28 augustus.”

Mijn hart bonst.

“Ik zal dan rond 19.15 uur bij uw moeder zijn.”

De kast in mijn hoofd pleurt om.

Alle lades.

Alles.

Daar is hij dan.

De datum waarop mijn mama zal sterven.

De datum waarop haar wens werkelijkheid wordt.

En de datum die mijn leven voor altijd zal verdelen in ervoor en erna.

Donderdag 28 augustus 2025.

Italië

Voor het eerst in Italië op vakantie

We zijn in Italië als de laatste dagen van juli overgaan in augustus.

Nog één maand.

Dan is mama alweer een jaar niet meer bij ons.

Het is de eerste keer dat we vakantie vieren in Italië.

Na jarenlang naar Ibiza te zijn geweest, had Luuk aangegeven dat hij graag eens iets anders wilde. Achteraf bleek dat hij eigenlijk droomde van een culturele vakantie.

Toen hij vroeg wat we allemaal gingen doen, vertelde ik enthousiast over het huis, het mooie weer, het zwembad, het heerlijke eten en dat mijn vader en Betty ook langs zouden komen.

Dat was niet wat hij bedoelde.

Hij wilde naar Rome. Door de straten dwalen, de geschiedenis ontdekken en alle bezienswaardigheden bekijken.

“Dan hadden we net zo goed naar Ibiza kunnen gaan,” zei hij droog toen ik het programma vertelde.

Ik beloofde hem dat we zeker samen een keer naar Rome zouden gaan. Niet midden in de zomer, maar op een ander moment.

En eerlijk is eerlijk…

Het huis in Italië voelt als een klein paradijs.

Het ligt verscholen tussen de olijfbomen en fruitbomen. Via een lang wit grindpad bereik je de villa. Binnen overheersen lichte kleuren en buiten zijn overal plekjes om in de zon of juist in de schaduw te zitten. 

Natuurlijk ontbreekt ook een zwembad niet.

Een verborgen plek waar alles klopt.

La Dolce Vita.

Maar al tijdens de eerste nacht kan ik niet slapen.

Ik voel onrust.

Angst.

Een soort paniek die ik niet kan verklaren.

Meerdere keren voel ik in het donker of B nog naast mij ligt.

Pas tegen de ochtend val ik een beetje in slaap.

Het gevoel is niet verdwenen als ik wakker word.

Alle vakantierituelen zijn hetzelfde als altijd.

Iedere ochtend drink ik in alle rust mijn koffie op het terras, uitkijkend over het prachtige landschap.

Het is hier adembenemend mooi.

Tijdens het ontbijt vertel ik B over de onrust die ik voel. 

Ik moet huilen.

Ik geef de schuld aan gisteren.

Het was de 28e.

De dag waarop mama overleed.

En augustus komt eraan.

Misschien is dat het wel.

B slaat een arm om mij heen.

“Alles wat je voelt, is goed.”

Maar…

er klopt iets niet.

Het gevoel blijft.

Het zit niet alleen in mijn hoofd.

Ik voel het fysiek.

Waarom juist hier?

In de periode vóór mama’s overlijden en ook daarna ben ik vaker weggeweest.

Ibiza.

Tenerife.

Bij mijn ouders in Spanje.

Zeeland.

Elke keer deed ik de oefeningen die ik van Antoinette had geleerd.

De rituelen die mij hielpen om ruimte te geven aan mijn verdriet én om weer te kunnen genieten.

Op al die plekken was mama ooit met mij geweest.

Of ik had haar erover verteld.

Ik voelde haar aanwezigheid in de herinneringen die we samen hadden gemaakt.

Ze hoorde daar nog steeds een beetje bij.

Maar Italië…

Italië is anders.

Op de vijfde ochtend word ik opnieuw wakker met hetzelfde beklemmende gevoel.

Na die eerste slapeloze nacht slaap ik inmiddels met behulp van een slaappil.

Maar zodra ik wakker word, is het gevoel er weer.

Direct.

Na mama’s overlijden omschreef ik het alsof iemand op mijn hart stond.

En ineens…

herken ik het.

Ik mis mijn moeder hier nóg meer.

Niet omdat Italië minder mooi is.

Maar juist omdat het nieuw is.

Een plek waar we nooit samen zijn geweest.

Vanaf hier heb ik haar nooit gebeld om te vertellen hoe mooi het is.

Hier heb ik nooit een jurkje, een T-shirt of een klein souvenir voor haar gekocht.

Er zijn geen herinneringen.

Geen verbinding.

Deze plek hoort bij mijn nieuwe leven.

Een leven zonder haar.

En dat doet pijn.

Thuis voelt als mama.

Ibiza voelt als mama.

Tenerife ook.

Maar Italië nog niet.

Het lucht op zodra ik dat besef.

Het lucht op dat ik het hardop uitspreek tegen B.

En dat ik er met Betty over kan praten.

Samen dobberen we in het zwembad.

We praten over rouw.

Over iemand missen.

Over hoe je verder leeft, terwijl je iemand nooit achterlaat.

Ondertussen genieten we ook.

Van het land.

Van het huis.

Van het eten.

Van de zon.

Maar vooral van elkaar.

Onze handen zijn inmiddels gerimpeld van het water.

We blijven nog even hangen bij de trap van het zwembad.

Ik koester dit soort gesprekken.

Dan zegt Betty lachend:

“Ik ga eruit. Je moeder brandt op mijn rug.”

Ik glimlach.

Precies zo voelt het.

Mijn moeder zit in de zon.

En of ik nu in Italië ben, op Ibiza of straks weer ergens anders…

Zij reist met mij mee.

Altijd.

Waar ik ook ben.

Werk

Tijdens het proces was ik ook aan het werk. Dat was niet altijd makkelijk.

Het is mijn laatste werkdag voor de vakantie.

Een vakantie waarvan ik eigenlijk niet weet hoe lang die zal duren.

In mijn hoofd voelt het niet als vakantie.

Het voelt als: nog even weg… en daarna komt mama te overlijden.

Daarna ben ik nog vrij.

Ik zie op tegen de vakantie.

Ik heb nog maar zo weinig tijd met haar en juist nu ben ik tien dagen in het buitenland.

Mama blijft zeggen dat ik gewoon moet gaan.

“Je hebt zo hard gewerkt, meid.”

Ze herhaalt het steeds opnieuw.

Ook alle betrokkenen in het traject zeggen hetzelfde.

“Ga er even tussenuit. Ga met je mannen weg. Even ademhalen.”

Even uitchecken.

Om daarna in te checken voor iets waar niemand zich ooit op kan voorbereiden.

Het proces is afgerond.

Mama heeft toestemming gekregen.

Haar wens wordt gerespecteerd.

Binnen vier weken zal de hulp bij zelfdoding plaatsvinden.

Mama heeft bewust gekozen voor hulp bij zelfdoding en niet voor euthanasie via een infuus.

Ze zal zelf een drankje drinken, waarna ze binnen een bepaalde tijd zal overlijden.

Een paar dagen geleden belde de huisarts mij daar nog over.

Ik zat op dat moment bij een klant, samen met twee collega’s uit mijn team.

Ik liep de gang op om het telefoongesprek aan te nemen.

Terwijl ik luisterde, keek ik naar de posters aan de muur.

Veiligheidsinstructies.

Helmen.

Waarschuwingsborden.

Alsof ik ineens in een andere werkelijkheid stond.

De huisarts vertelde dat hij overleg had gehad met collega’s.

Soms duurde het na het innemen van het drankje nog anderhalf uur voordat iemand overleed.

Hij vroeg hoe wij daarin stonden.

Anderhalf uur.

Ik liet mijn blik opnieuw over de posters glijden.

Toen zei ik zacht:

“Dertig minuten.”

Als mama na dertig minuten nog niet in slaap zou zijn, wilden wij dat er alsnog via een infuus medicatie zou worden toegediend.

Ik nam die beslissing zonder haar daar nog mee te belasten.

Zou ze het überhaupt nog begrijpen?

Vanaf het eerste moment had ze ingestemd met het drinken van het drankje.

Dat was haar wens.

Op kantoor ging het leven gewoon verder.

Voor een vakantie maak je een overdracht.

Omdat ik verantwoordelijk ben voor twee afdelingen, spreek ik daarnaast iedereen ook nog één-op-één.

De situatie rondom mijn moeder is bekend.

Dat is prettig

.

Niet iedereen vraagt ernaar, maar ik voel dat veel collega’s met mij meeleven.

Tijdens de gesprekken bespreken we de resultaten, de klanten, wat goed gaat en waar zorgen liggen.

Maar vlak voor mijn vakantie gaat het eigenlijk maar over één onderwerp.

De werkdruk.

Die loopt al maanden op.

Vanuit het management is duidelijk gemaakt dat er financieel geen ruimte is voor extra collega’s.

Voorlopig moeten we het hiermee doen.

Dat geeft mij een rotgevoel.

Mijn verantwoordelijkheidsgevoel laat mij niet los.

Ook in deze periode, waarin mijn moeder stervende is, ben ik er altijd.

Als mama ’s avonds weer naar huis is, open ik vaak mijn laptop nog.

En op zondag werk ik meestal ook nog een paar uur.

Ik heb met mijn teams te doen.

Ik luister.

Ik vraag waar ze behoefte aan hebben.

Wat ik voor ze kan betekenen.

Ik voel hun frustratie.

En tegelijkertijd sta ik zelf met mijn rug tegen de muur.

Ik weet dat ik er de komende drie weken niet ben.

Misschien zelfs langer.

Zolang ik op kantoor ben, kan ik nog iets betekenen.

Meehelpen.

Brandjes blussen.

Klanten te woord staan.

En zorgen voor een beetje luchtigheid op de werkvloer.

Nog nooit eerder heb ik zoveel onrust gevoeld.

Over alles.

Werk.

Mama.

De zussen van mama.

Mensen die niets van de situatie begrijpen, maar er wel een mening over hebben.

Het is waar wat ze zeggen.

Je leert jezelf kennen in moeilijke tijden.

Maar je leert ook de mensen om je heen kennen.

En dat is niet altijd mooi.

In mijn hoofd rammelen alle lades tegelijk.

Ik krijg ze niet meer dicht.

Ik ben zo ontzettend moe.

De één-op-ééngesprekken zitten erop.

Hier en daar vloeien tranen.

Ook bij mij.

Vandaag kost het me moeite om mijn professionele masker op te houden.

Als een paar collega’s de vergaderruimte verlaten, geef ik ze een knuffel.

Misschien niet heel professioneel.

Maar ik ben niet alleen leidinggevende.

Ik ben ook gewoon een mens.

Een mens met liefde voor haar werk.

En vooral voor de mensen met wie zij werkt.

Samen met twee collega’s loop ik naar de parkeerplaats.

We praten nog even na.

Dan stap ik in mijn auto.

De navigatie geeft aan dat ik ruim een uur moet rijden.

Ik zet geen muziek op.

Ik bel niet naar huis.

Ik blijf mezelf één zin herhalen.

Het is maar werk.

Ik probeer het los te laten.

Maar het lukt niet.

Mijn hoofd blijft onrustig

.

Ondanks alle overdrachten laat ik mijn werk niet met een gerust hart achter.

Er is te veel onduidelijkheid.

Te veel spanning.

Te veel onrust.

En ergens diep vanbinnen weet ik…

Dit zou zomaar kunnen klappen terwijl ik er niet ben

Op

De dag waar ik in contact kwam met Antoinette. ♥️

Het is zaterdag.

Gisteren hadden mama en ik een afspraak bij de huisarts. Weer een stap dichterbij het onvermijdelijke.

Ik heb de zaterdagboodschappen al gedaan en ook al geluncht samen met B. Het vaste broodje paling en een portie kibbeling.

Normaal geniet ik daarvan.

Vandaag smaakt het nergens naar.

Er staan verse bloemen in mijn vazen.

Normaal word ik daar blij van.

Nu doen ze me niets.

Ik voel me kut.

Er is geen ander woord voor.

Gewoon…

Kut.

Ik besluit in bed te gaan liggen.

Ik wil dat de tijd stopt. Dat alles weer goed komt.

En met “goed” bedoel ik maar één ding.

Dat mijn mama blijft leven.

Dat ze niet ziek is.

De zon schijnt uitbundig, maar ik zie alles donker.

Als ik vroeger verdrietig was, boos of ergens mee zat, zei mama altijd:

“Maar gelukkig schijnt de zon.”

Er zit iets moois in die uitspraak.

De zon doet een mens goed.

Normaal gesproken.

Maar al die prachtige zomerdagen in juli kunnen me gestolen worden.

Voor mij voelt het als herfst.

Koud.

Grauw.

Alles is grijs.

Ik huil.

Mijn tranen droog ik aan mijn dekbed.

Zelfs mijn neus veeg ik af aan mijn T-shirt.

Niets voor mij.

In mijn hoofd kraakt, piept en scheurt de kast waarin ik alles altijd netjes had opgeborgen.

Hij staat op instorten.

Ik heb geen ducttape nodig.

Ik heb hulp nodig.

Ik ben op.

Klaar met alle mensen die denken te weten wat goed is.

Klaar met de bemoeienis.

Klaar met iedereen die over mijn grenzen heen stapt en geen respect heeft voor wat wij doormaken.

Ik heb één opdracht.

Eén belofte.

De wens van mijn moeder.

En die ga ik vervullen.

Met alle liefde die ik in me heb.

Ik zoek op Google naar rouwbegeleiding.

Er verschijnen allerlei websites.

Ik kies er één uit en bel direct.

Het is wel zaterdag, denk ik nog.

Toch wordt er opgenomen.

Een vriendelijke meneer luistert naar mijn verhaal.

Ik vertel waarvoor ik bel en waar ik behoefte aan heb.

Omdat ik in een andere regio woon, zegt hij dat hij mijn telefoonnummer zal doorgeven aan een collega.

Nog geen uur later word ik teruggebeld.

Gewoon.

Op een zaterdag.

Een rustige, warme stem stelt zich voor.

“Met Antoinette.”

Ik vertel haar mijn verhaal.

Ons verhaal.

Hoe het begon.

Waar we nu staan.

Waar ik naar op zoek ben.

De woorden stromen eruit.

Mijn adem zit hoog.

Ik voel de tranen opkomen.

Maar ik blijf praten.

En Antoinette…

Die luistert.

Echt luistert.

De eerste persoon in dit hele proces die niet meteen met oplossingen komt.

Die mij niet onderbreekt.

Die niets invult.

Die gewoon luistert.

Naar mij.

Alleen naar mij.

De brief 2

De dag waarop mama de brief schrijft waarom zij euthanasie wil.

We hebben net avondgegeten als mama vraagt wie haar vandaag naar huis brengt.

Ik vertel haar dat ik dat zal doen, maar dat we eerst nog de opdracht van de huisarts moeten uitvoeren.

Mama moet een brief schrijven waarin ze zelf vertelt dat ze niet meer wil leven. Dat de kwaliteit van haar leven zo slecht is geworden dat ze graag wil komen te overlijden.

Ongekend. Maar ook dit hoort bij het proces richting euthanasie.

We besluiten de brief niet in het bijzijn van mijn zoon Luuk te schrijven. We lopen samen naar boven, naar de werkkamer van mijn man.

Op de bovenste verdieping zijn drie kamers.


De kamer van Luuk.
De logeerkamer.
En de werkkamer.

Drie kamers.
Drie verschillende werelden.

De werkkamer heeft een donkere uitstraling. Mijn man heeft gekozen voor filmposters aan de muur. Geen Disneyfilms, maar donkere klassiekers, zoals Seven.

Donker en beklemmend.
Precies zoals dit proces voelt.
Net als de brief die mama moet schrijven.

Misschien is dit juist daarom de perfecte ruimte.

Ik pak een vel papier uit de printer en de pen die op het bureau ligt.

“Schrijf maar op, mama,” zeg ik.

“Wat moet ik opschrijven?” vraagt ze.

Ik kijk naar haar.

Ze draagt opnieuw haar zomerjurk uit Spanje. Haar gezicht heeft een gezonde kleur gekregen door alle uurtjes in de zon op haar balkon. Haar rode bril past er prachtig bij. Haar herkenbare rode bril.

“Waarom je euthanasie wilt,” zeg ik. 

Ik krijg de woorden steeds moeilijker uit mijn mond.

Dit proces vraagt lichamelijk en geestelijk ontzettend veel van mij, merk ik. Mijn kast met lades in mijn hoofd raakt overvol. 

Ik leef op de automatische piloot. Dit is wat ze bedoelen met Levend Verlies.

Mijn mama zit in die grote zwarte leren bureaustoel.

Een stoel waarin ik haar helemaal niet wil zien zitten.

Want eigenlijk wil ik haar helemaal niet kwijt.

Ik kan niet zonder haar.

Ik heb haar nodig.

Liefde is ook loslaten…

Nou, niet dus, denk ik.

“Hoe spel je euthanasie?” vraagt mama.

Ik schrijf het woord op een apart vel papier en schuif het naar haar toe.

Mama begint te schrijven.

Ze schrijft over de situaties waarin ze zichzelf steeds vaker kwijtraakt.

Dat haar geheugen haar in de steek laat.
Dat ze bang is voor de toekomst.
Bang om uiteindelijk in een verpleeghuis terecht te komen.

Ze schrijft dat ze dit niet langer wil.

Dat ze zichzelf stukje bij beetje verliest.

Dat ze gek wordt van haar eigen vergeetachtigheid.

Dat dit geen leven meer is.

Terwijl ze schrijft, maak ik een foto van haar.

Ze merkt het niet eens.

Ze is volledig verzonken in haar woorden.

Na een tijdje legt ze haar pen neer.

Ze is klaar.

“Wat zet ik eronder?” vraagt mama.

Ik heb geen idee.

Ik heb geen ervaring met dit soort brieven.

En eerlijk gezegd heb ik ook nooit de moed gehad om op te zoeken hoe zo’n brief eruit moet zien.

Bestaat er eigenlijk een handleiding?

Hoe help je als dochter je moeder bij een euthanasieverzoek?

“Zet de datum van vandaag maar op. En je handtekening.”

Ik noem de datum.

Mama schrijft hem zorgvuldig over en zet vervolgens haar vertrouwde handtekening.

Een grote C gevolgd door een krachtige punt en daarna haar achternaam.

Die handtekening ken ik al mijn hele leven.

Ooit zette ik hem zelf een keer onder een tussentijds rapport. 

Kon ik maar terug naar die tijd.

Toen een handtekening nog gewoon een handtekening was.

En we niet wisten wat ons nog te wachten stond.

De brief

Mama raakt steeds vaker de weg kwijt

Het is rond 15.30 uur als mijn zoon Luuk mij belt terwijl ik nog aan het werk ben.

Op kantoor is iedereen inmiddels bekend met zijn telefoontjes. Ik neem altijd op met dezelfde woorden. 

Collega’s kunnen ze inmiddels dromen.

“Hi Luuk, met mama.”

Toen Luuk zijn eerste telefoon kreeg, leg je als ouder uit hoe je daarmee omgaat. Ik vond het een geruststellende gedachte dat ik kon zien waar hij was, dat hij mij altijd kon bereiken en ik hem.

Natuurlijk zat daar verschil in. Niet ieder telefoontje was even belangrijk. Vaak belde hij om iets te vertellen wat ook prima had kunnen wachten. 

Thuis noem ik hem daarom weleens lachend Edwin Smulders, omdat hij overal verslag van doet.

Maar deze keer was het anders.

“Oma is er nog steeds niet.”

Dat was iets wat het afgelopen jaar helaas vaker gebeurde.

Sinds mama de diagnose Alzheimer had gekregen, mocht ze per direct niet meer autorijden. Ze moest haar auto inleveren. Daarmee verloor ze niet alleen haar rijbewijs, maar vooral haar vrijheid.

Vanaf dat moment kwam ze met de bus naar ons. Ze kende de route, wist welke bus ze moest nemen, hoe haar OV-kaart werkte en hoe ze vanaf de halte naar ons huis moest lopen.

Maar op die bewuste dag liet haar geheugen haar opnieuw in de steek.

Luuk maakte zich zorgen.

Oma zou er om 14.30 uur zijn. Inmiddels was het een uur later.

Hij had al zomervakantie. Hoewel hij prima een paar uur alleen thuis kon zijn, vond hij het fijn als oma er was. En ergens wist hij ook dat de tijd met haar steeds kostbaarder werd.

Hoe leg je een kind uit dat zijn oma zijn volgende verjaardag waarschijnlijk niet meer zal meemaken?

Op dat moment wisten we nog niet hoe snel het allemaal zou gaan.

Maar hij zag mijn verdriet. Hij hoorde onze gesprekken. Hij wist dat oma er nog was, maar ook dat ze door Alzheimer langzaam veranderde.

Via ‘Zoek mijn iPhone’ keek ik waar mama was.

Ik zag haar rondjes lopen in de omgeving van het station.

Mijn mama.

Die altijd zelfstandig was geweest.

En nu waarschijnlijk niet meer wist waar ze was. Waar ze naartoe moest. Of zelfs waarom ze daar liep.

Dat gevoel…

De paniek die door je lijf giert. De machteloosheid. De angst.

Ik begrijp zo goed dat mama juist dát gevoel ondraaglijk vond.

Ik liep een belhok op kantoor in en belde haar.

“Hi mama, met mij.”

Ze herkende direct mijn stem.

Ik hoorde de opluchting in de hare.

Er trok een steek door mijn lijf.

Van onze casemanager had ik geleerd om nooit te vragen: “Ben je de weg kwijt?”

In plaats daarvan vroeg ik zo luchtig mogelijk:

“Ben je er bijna?”

“Ja,” antwoordde ze. “Ik ben er bijna.”

Het voelde oneerlijk dat ik mijn moeder op deze manier iets moest vragen. Maar het was de enige manier waarop de ziekte niet meteen de regie overnam.

“Waar ben je nu, mam?”

“Bij de Albert Heijn.”

Ik slikte.

“Dan ben je er bijna. Steek bij de Albert Heijn over, loop rechtdoor en dan zie je ons huis.”

Misschien klonk het belerend.

Maar voor mama werkte het. Kleine, duidelijke aanwijzingen gaven haar houvast.

Daarna belde ik Luuk.

“Het komt goed. Oma is er bijna.”

Dat ze verdwaald was, vertelde ik hem niet.

Dat vond ik te pijnlijk.

Zijn oma betekende alles voor hem.

Ik vertelde hoe laat ik van kantoor zou vertrekken en hoe laat ik ongeveer thuis zou zijn.

Daarna liep ik het belhok weer uit en schoof opnieuw aan bij de vergadering.

Vijf jonge collega’s keken mij vragend aan.

“Alles goed?”

“Ja,” zei ik.

“Mijn mama was de weg kwijt.”

Alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

Die avond reed ik naar huis.

Moe.

Leeg.

Verdrietig.

Steeds dezelfde vraag bleef door mijn hoofd gaan.

Hoe moet het nu met mijn mama?

En ondertussen dacht ik aan wat ons die avond nog te doen stond.

We gingen samen werken aan de brief.

De brief waarin mama haar euthanasiewens zou opschrijven.

2e Afspraak

Mama en ik zitten in de wachtkamer voor onze tweede afspraak bij de huisarts.

We zijn iets te vroeg. Naast elkaar zitten we in de wachtkamer, tussen andere mensen die wachten op hun beurt. Ik weet niet goed waar ik moet kijken. Mijn blik blijft hangen op onze schoenen.

Mama draagt haar gouden sandalen. Ik heb vandaag gekozen voor comfort: mijn vertrouwde instappers. Ze zijn eigenlijk voor in huis, maar vandaag heb ik besloten om ze als schoenen buiten te dragen.

Er zit onrust in mijn lichaam.

Ik pak mijn telefoon en maak een foto van onze voeten. Ik besluit dat ik alle momenten in dit traject wil vastleggen. Gewoon met mijn mobiel. Simpele foto’s. Op dat moment weet ik nog niet waarom, of wat ik er ooit mee zal doen. Maar ik voel dat ik niets wil vergeten.

Inmiddels heb ik me verdiept in euthanasie. Ik lees alles wat ik kan vinden. Toch mis ik de verhalen van mensen die dit proces écht hebben meegemaakt. Hoe ziet zo’n traject eruit? Waar loop je tegenaan? Wat moet je wel doen? Wat juist niet?

Hoe ga je met deze situatie om. Hoe voelt dat? Wat doe ik met mijn gezin? Mijn werk?

En hoe leef je met iemand van wie je weet dat je misschien op korte termijn afscheid gaat nemen? Ik wil mijn mama helemaal niet verliezen.

Levend verlies.

Het voelt eenzaam. Mijn hoofd maakt overuren. Ik ben zo ontzettend bang om mijn mama te verliezen. Veel te bang. Ik ben er nog helemaal niet klaar voor.

Zal je daar ooit klaar voor zijn?

We weten nog helemaal niets, spreek ik mezelf in gedachten toe. Dus maak je nu nog niet druk.

Dan loopt de huisarts de wachtkamer in.

“Mevrouw Van Heuveln?”

Het klinkt afstandelijk. Een achternaam die door de ruimte klinkt, alsof mijn moeder hier voor het eerst komt met een onschuldige klacht. Alsof we hier zitten voor zweetvoeten of een pijnlijke knie.

Maar we zitten hier voor haar grootste wens.

Voor de dood.

Bij de vorige afspraak hadden we afgesproken dat mama eerst alleen met de huisarts zou praten. Daarna zou hij mij erbij halen.

Niet veel later gaat de deur weer open.

“Kom je erbij?”

Voor de tweede keer neem ik plaats op die harde, ongemakkelijke stoel.

“Ik heb uw moeder eerst alleen gesproken,” zegt de huisarts. “Ik wilde weten of zij zich de vorige afspraak nog herinnerde. Dat deed ze heel duidelijk.”

“Dat is fijn,” antwoord ik.

Sinds de vorige afspraak vertelt mama aan iedereen dat ze euthanasie krijgt. Terwijl we nog helemaal aan het begin van het traject staan.

Ondanks dat ze mij heeft gevraagd het niet aan haar broers en zussen te vertellen, vertelt ze het wel aan de buren. Aan de mensen van de dagbesteding. Aan de gym. Aan iedereen die het maar wil horen.

Soms neemt ze zelfs al afscheid.

Het maakt me verdrietig. En onrustig. Alsof zij al verder is dan ik.

De huisarts kijkt ons aan.

“Ik heb overleg gehad met het Expertisecentrum Euthanasie en met collega’s.”

Mama en ik luisteren aandachtig.

Ik schuif mijn handen onder mijn bovenbenen. Waarom weet ik niet. Misschien om ze stil te houden. Misschien omdat ik houvast zoek. De stoel voelt ineens nog harder.

Dan kijkt hij mijn moeder aan.

“Ik verleen mijn medewerking aan uw verzoek.”

Op dat moment voel ik mijn handen niet meer.

Mijn lichaam wordt loodzwaar.

Zelfs mijn comfortabele instappers lijken ineens blokken beton.

De huisarts praat verder. We moeten zorgvuldig te werk gaan. Iedere stap moet kloppen. Alles moet goed worden vastgelegd. Hij vertelt dat dit traject ook voor hem veel vraagt.

Mama knikt.

“U heeft geleerd om mensen beter te maken,” zegt ze.

“Dat klopt,” antwoordt hij. “En juist daarom moet alles volgens de wet verlopen. Ik wil dit zorgvuldig doen.”

Ik probeer ieder woord op te slaan.

Voor nu volgen er gesprekken met de casemanager, een arts ouderengeneeskunde en een SCEN-arts. Daarnaast blijven er gesprekken met de huisarts.

Ook krijgt mama een belangrijke opdracht.

Ze moet een brief schrijven.

Een brief waarin ze zelf beschrijft waarom haar lijden voor haar uitzichtloos en ondraaglijk is. Die brief nemen we volgende week mee.

Daarna staan we op.

We wensen de huisarts een fijn weekend.

Alsof we zojuist een heel gewoon consult achter de rug hebben.

Communicatie en gewoontes staan steeds vaker haaks op wat er werkelijk gebeurt.

Ik vind het ingewikkeld.

Buiten stappen mama en ik in mijn auto.

We pakken elkaars hand vast.

We kijken elkaar aan.

Mama begint te huilen.

En ik huil ook.

“En nu?” vraagt ze.

“Ik breng je naar de club,” zeg ik.

De dagbesteding.

“Je bent nog net op tijd voor de koffie.”

“Dat is fijn,” zegt mama. “Even afleiding. Even iets anders.”

Ik breng haar naar de verdieping waar de groep van mama zich bevindt.

Zodra ik in mijn auto zit, barst ik los.

In de auto schreeuw ik.

Ik huil.

Ik vloek.

Alles wat in mij zit, komt eruit.

Kloteziekte.

Waarom mijn mama?

Waarom wij?

Lamskoteletten 

Het waren geen lamskoteletten vorig jaar op jouw verjaardag. Je koos destijds voor een Schnitzel. 

Samen eten met elkaar. Aan een ronde tafel. De zon scheen naar binnen. Het was een mooie zonnige dag. We genoten van elkaar gezelschap.

Het was jouw verjaardag vorig jaar, dat jij aan gaf dat je graag lamskoteletten wilde eten. Ik was onder de indruk van deze keuze, want dat kleine stukje rode vlees aan een botje, at je nooit. Je koos wel vaker voor smaken die jou eerder niet lagen. De dementie kreeg steeds meer grip. Zo ook op jouw smaak en later ook op jouw eetlust. We aten op bij Van der Valk in het dorp. Dat was prima voor jou om daar stil te staan bij jouw verjaardag. 

Twee jaar vierden we jouw verjaardag nog uitgebreid bij mij in de tuin. Een echt feestje met jouw broers en zussen, 2 dagen later kwam de diagnose Alzheimer. De diagnose veranderde alles. Maakte veel stuk en de mensen op jouw feestje raakte je kwijt. Ze lieten jou in de steek. 

Op jouw geboorte dag, geen Schnitzel, geen lamskoteletten of van der Valk. En al helemaal geen feestje. Wel tranen, verdriet, rouw en het rauwe, pijnlijke gemis. 

Wel roze rozen op jouw plek in mijn huis, met een kaart die je nooit zal lezen. Geen cadeau die ik je kan geven of vertellen dat ik van je hou. Ik haal gebak en zal een “ mama maaltijd “ bereiden. We vieren jouw verjaardag maar je bent er zelf niet fysiek bij.

Je bent nooit meer fysiek jarig en of er verjaardagen worden gevierd in de hemel weet niemand. 

Voor altijd 76. Voor altijd in mijn hart. ♥️ 

We’re lonely but not alone. 

Never be apart, we are one. ☀️

Niemand

We zitten met zijn vieren aan tafel voor het avondeten. Allemaal op onze vaste plek. Mama zit naast mij. Altijd. Dat vinden we allebei fijn.

“Niemand mag het weten,” zegt mama.

Ik vraag wat ze bedoelt.

“Niemand mag weten dat ik doodga.”

Ze zegt het gewoon. Dood. Ik ga dood. Ze meent het ook. Ik zie het aan haar blauwe ogen.

“Wat bedoel je, mama?” vraag ik, terwijl ik het antwoord eigenlijk al weet.

“Ze hoeven het niet te weten. Mijn broers en zussen. Ik heb niets van ze gehoord.”

Mama praat al een tijd negatief over haar broers en zussen. Het raakt haar zichtbaar.

Toen ze de diagnose Alzheimer kreeg, viel ze in een diep gat. Op dezelfde dag werd haar verteld dat ze geen auto meer mocht rijden.

Alzheimer doet iets met je inschattingsvermogen, met anticiperen in het verkeer en met nog zoveel meer.

Weg vrijheid. Weg zelfstandigheid.

Ze heeft vaak gezegd hoe erg ze haar auto mist.

Na de diagnose probeerde ik een appgroep in stand te houden om haar broers en zussen op de hoogte te houden. Er kwamen reacties, maar de betrokkenheid verdween langzaam. Het werd stil.

En mama’s eigen initiatief om contact te zoeken werd, door haar ziekte, ook steeds kleiner.

Maar wat verwacht je van iemand die altijd voor iedereen klaarstond? Die voor iedereen zorgde?

Die kaartjes stuurde, vaste belmomenten had en altijd belangstelling toonde.

En die zich nu zo in de steek gelaten voelt.

Het heeft mama tot haar laatste momenten beziggehouden. Mede daardoor heeft ze keuzes gemaakt. 

Achteraf bleken het de juiste keuzes te zijn. Daar kom ik later op terug.

We ruimen de tafel af.

Elke dag dat mama bij ons is, volgen we dezelfde structuur. Dat geeft haar veiligheid en zorgt ervoor dat de Alzheimer iets minder op de voorgrond staat.

Het gesprek gaat verder.

Ik vertel mama dat ik haar familie niet zal informeren over de gesprekken die we met de huisarts hebben gehad en ook niet over haar euthanasiewens. Ik vertel haar nogmaals dat we nog niets weten of het nog kan. We hebben vrijdag weer een afspraak met de huisarts. 

Mama houdt de placemats omhoog.

“In welk kastje horen deze?”

Ik wijs de plek aan.

“Zie je,” zegt ze. “Hier word ik nou gek van.”

“Dat maakt mij niet uit, mama.”

“Al moet ik nog zeshonderdvierentachtig keer vertellen waar de placemats horen, ik zal het je iedere keer opnieuw zeggen. Met alle liefde die ik voor jou voel.”

Ik hoop dat ik mijn mama nog heel vaak mag vertellen waar de placemats horen.

Maar ergens weet ik dat die momenten niet eindeloos zullen zijn.

Blij

Het eerste gesprek met de huisarts, mijn zus en mijn mama over haar euthanasie verzoek.

We zitten bij de huisarts.

Vandaag is onze gezamenlijke afspraak.

Mijn zus, mama en ik zitten op drie ongemakkelijke stoelen als de huisarts vraagt:

“Wat kan ik voor u doen?”

Mama begint te praten.

Duidelijk. Geëmotioneerd.

Al snel komen de tranen. Bij mama. Bij mijn zus. Bij mij.

Er staat een doos tissues op het bureau van de huisarts. Gretig maken we er gebruik van.

Mama vertelt dat ze gek wordt van zichzelf. Dat ze steeds meer dingen vergeet.

De dagen.

De tijd.

Wat ze in een supermarkt doet.

Wat ze ook alweer moest kopen.

Hoe de wasmachine werkt.

Of de balkondeur dicht is.

Ze vertelt dat ze laatst vergeten was dat de balkondeur dicht zat en er met volle kracht tegenaan liep. Haar bril stond scheef op haar gezicht. Ze was er enorm van geschrokken.

Allemaal voorbeelden.

Zoveel voorbeelden.

Ze vertelt ook dat ze nog steeds kan genieten. Van bij ons thuis zijn. Van de dagbesteding. Van de vakantie die we samen vierden op Tenerife.

Maar bij thuiskomst wacht de vergeetachtigheid haar altijd weer op.

Onverbiddelijk.

Ik kijk naar mijn zus.

Even kruisen onze blikken elkaar.

We voelen hetzelfde.

Onze mama.

Zo oneerlijk.

Dit is waar ze haar hele leven bang voor is geweest.

Dementie.

Eindigen zoals ze het jarenlang heeft gezien tijdens haar werk in de ouderenzorg.

Dat ze op een dag haar dochters niet meer zou herkennen.

Juist datgene waarvoor ze altijd zo heeft gevreesd.

Onze mama.

Zo dapper.

En nu zo afhankelijk.

We luisteren.

“Ik vind het zo erg voor mijn meiden.”

Mijn zus en ik vertellen haar dat het goed is.

Dat ze ons mag loslaten.

Dat het goed komt met ons.

Dat we begrijpen wat ze wil.

Dat ze dit altijd heeft gezegd.

Dat alles goed komt.

Woorden die me tot op de dag van vandaag achtervolgen.

Woorden die ik uitsprak, maar waarvan de betekenis pas veel later binnenkwam.

Woorden van levend verlies.

Woorden waarvan je pas achteraf begrijpt hoe zwaar ze wegen.

De huisarts vraagt aan mama of ze begrijpt wat euthanasie betekent.

“Ja,” zegt ze.

“Dan krijg ik een spuitje en dan ga ik dood.”

Eenvoudige woorden.

Woorden die dwars door mijn hart snijden.

Mijn hoofd draait op volle toeren.

Ik voel van alles tegelijk.

Verdriet.

Angst.

Paniek.

Wat staat ons in hemelsnaam te wachten?

Ik voel de onrust opkomen.

Normaal gesproken grijp ik dan naar mijn menthol-neusstick. Ik ben er bijna verslaafd aan geraakt. De scherpe geur schudt mijn hoofd even wakker. Even ademhalen. Even aan iets anders denken.

Of het echt helpt weet ik niet.

Volgens TikTok wel.

De huisarts begint te vertellen.

Hij zegt dat hij dit jaar meerdere euthanasieverzoeken heeft begeleid.

Dat dit hem niet in de koude kleren is gaan zitten.

Mijn zus en ik knikken.

Mama herhaalt dat ze begrijpt hoe ingewikkeld dit voor hem moet zijn.

“Als arts bent u opgeleid om mensen beter te maken.”

Het klinkt misschien vreemd, maar ze heeft gelijk.

Mijn mama wordt nooit meer beter.

De dementie neemt haar leven steeds verder over.

En daarmee ook een deel van ons leven.

Het is een ongelijk gevecht.

Al heb ik een hekel aan het woord vechten als het over ziekte gaat.

Alsof iemand die overlijdt niet hard genoeg heeft gevochten.

Alsof iemand die beter wordt sterker is geweest.

Soms is het leven gewoon oneerlijk.

De huisarts vertelt verder.

“Ik vind euthanasie bij dementie ingewikkelder,” zegt hij.

“Bij een lichamelijke ziekte is ondraaglijk lijden vaak makkelijker vast te stellen. Je kunt zien wat iemand doormaakt. Bij dementie ligt dat anders.”

Hij vertelt dat hij de situatie van mama wil bespreken met het expertisecentrum euthanasie.

Mocht hij uiteindelijk besluiten het verzoek niet zelf te begeleiden, dan kunnen we daar mogelijk verder.

Een aanvraag kan acht tot tien weken duren.

Onbewust maak ik een rekensom.

Oktober.

Dan hebben we nog tijd.

Tenminste, dat denk ik.

Dan stelt de huisarts een vraag.

“Wilt u bijvoorbeeld nog kerst meemaken?”

“Nee,” zegt mama direct.

“Nee hoor.”

Ze schudt haar hoofd.

“Dan ben je alleen maar bezig met denken: dit is de laatste keer. De laatste kerst. De laatste keer dit. De laatste keer dat.”

Ze kijkt overtuigd.

“De herfst hoef ik ook niet meer mee te maken.”

Ik staar naar mijn voeten.

Naar mijn roodgelakte teennagels.

Alles voelt ineens heel ver weg.

En tegelijkertijd pijnlijk dichtbij.

De huisarts vraagt of alles duidelijk is.

We spreken af dat we alles laten bezinken.

Volgende week vrijdag komen we terug.

Dan heeft hij meer informatie.

Hij wil mama eerst alleen spreken en daarna gaan we samen verder in gesprek.

We staan op.

Geven hem een hand.

En lopen naar buiten.

Op de parkeerplaats breken we alle drie.

We huilen.

En dan zegt mama:

“Ik ben zo blij.”

Ik zie sinds lange tijd iets wat ik niet meer had gezien.

Opluchting.

Omdat ze zich gehoord voelt.

Omdat haar wens eindelijk uitgesproken is.

Omdat er wordt geluisterd naar haar angst.

En misschien ook omdat er, hoe moeilijk het ook is, een klein beetje regie terugkomt in een leven waarin de dementie steeds meer bepaalt.

Het eerste gesprek

Het is vrijdag 20 juni. Vandaag gaan we met mama naar de huisarts.

Mijn zus is in Nederland en dat betekent dat we deze afspraak samen met mama kunnen bijwonen. 

Al vroeg in de ochtend vertrek ik naar het gezondheidscentrum. De afspraak staat gepland om 08.30 uur. Het is prettig dat het gesprek zo vroeg op de dag plaatsvindt, want daarna wacht mij nog een druk programma.

Op de parkeerplaats ontmoet ik mijn zus en mama. Het is een prachtige junidag. De zon schijnt, de temperatuur is aangenaam en de lucht is helder.

Met goede moed lopen we het gezondheidscentrum binnen. 

Mijn zus en ik hebben vooraf uitgebreid met elkaar gebeld over deze afspraak. Eerst maar eens horen wat de huisarts te zeggen heeft over mama’s wens. 

Tegelijkertijd houden we rekening met het scenario dat we misschien te laat zijn om nog iets in gang te zetten.

In het gezondheidscentrum is het druk. De eerste hal zit vol met oudere mensen. Er is geen stoel meer vrij. Al snel realiseer ik me dat iedereen wacht om bloed te laten prikken. 

Daar zijn wij niet voor gekomen. We lopen verder, door een schuifdeur, naar de daadwerkelijke wachtruimte van de huisartsenpraktijk.

Het gebouw roept herinneringen op aan vroeger. Aan de keren dat ik hier als kind met mama kwam. Samen wachten in de wachtkamer. Ik zie het mandje weer voor me dat altijd op de balie stond. Voor herhaalrecepten, maar ook voor potjes urine. Alleen die gedachte al bezorgt me een lichte rilling.

De wachtkamer is inmiddels gemoderniseerd. De ruimte is licht en ruim opgezet. Aan de muur hangt een informatiescherm en op een tafel staat een grote vaas met kunstbloemen. De balie van de assistentes is gesloten. 

De tijd heeft het mandje voor herhaalrecepten ingehaald. 

Gelukkig zijn ook de potjes urine verdwenen, zorgvuldig verpakt tegen lekkage of voor de anonimiteit.

We nemen plaats op een moderne houten bank. Wanneer mama vraagt waarom we hier zijn, antwoord ik zachtjes dat we komen praten over haar wens tot euthanasie.

Even later verschijnt de huisarts in de wachtruimte. Hij noemt mijn moeder bij haar achternaam.

Met z’n drieën lopen we achter hem aan. Terwijl we door de gang lopen, kijk ik naar de grond. Mijn blik blijft hangen op de rode nagellak op mijn tenen. Ik realiseer mij dat ik morgen een afspraak bij mijn vaste nagelsalon heb. 

De huisarts opent de deur van zijn spreekkamer en we nemen plaats.

Mijn zus zit rechts van mama, ik links. Terwijl iedereen gaat zitten, laat ik mijn blik snel door de kamer glijden. 

De boeken in de kast. De dokterstas op de grond. In een kast staat een klein naambordje met daarop het woord ‘huisarts’. Misschien een cadeautje van een patiënt, denk ik nog.

Dan kijkt de huisarts mijn moeder aan.

‘Wat kan ik voor u doen?’

Mijn mama begint te vertellen.

Mijn kast wiebelt in mijn hoofd. 

Kast

Ik heb inmiddels gebeld met de huisartsenpraktijk van mama en laat mijn zus weten dat we op vrijdag 20 juni een afspraak hebben bij de huisarts.

We hebben allebei geen idee wat ons te wachten staat.

Omdat de afspraak op vrijdag staat, werk ik mama’s agenda alvast bij op woensdag. Woensdag zal ik namelijk werken in plaats van vrijdag.

“Je zus komt toch naar Nederland?” vraag je aan mij.

Rustig antwoord ik dat dat klopt. Ik heb het de afgelopen twee weken al meerdere keren verteld en in haar agenda geschreven. 

Maar zoals met zoveel dingen blijft het niet hangen.

“Vrijdag gaan we naar de huisarts,” herhaal ik. “We gaan er met z’n drieën heen.”

Nog voordat ik kan uitleggen waarom, spreek jij de woorden zelf uit.

“Omdat ik euthanasie krijg…”

“Nou, mama,” zeg ik bijna kinderlijk, “om te vragen of het nog mogelijk is. Of het nog kan.”

Haar blauwe ogen kijken me verschrikt aan. Ik zie iets van teleurstelling in haar blik.

“…maar ik word gek van mezelf. Ik ben nerveus van alles…”

Dit wil ik niet.

Ik luister naar haar woorden en voel van alles tegelijk. Angst. Pijn. Verdriet.

Ik ben bang.

Heel erg bang.

Zo bang dat ik het niet eens kan omschrijven.

Voor nu stop ik het weg. Mijn eigen overlevingsstrategie. Mijn spreekwoordelijke kast.

Mijn hart en hoofd zijn een kast met ontelbaar veel lades. Alles wat ik in negatieve of emotionele zin meemaak, stop ik in een lade. Zo bepaal ik zelf wanneer een lade opengaat en wanneer de inhoud wordt opgeruimd.

“Mama, ik zal er alles aan doen om jouw wens hierin te respecteren.”

We huilen samen.

“Maar wanneer komt je zus?” vraag je opnieuw.

Kloteziekte, denk ik.

Nog een keer vertel ik je het schema. 

’s Avonds, als ik in bed lig, voel ik dat mijn kast begint te kraken.

Er schiet een boutje los.

Woensdag

Het zal een woensdag in juni zijn geweest. Sinds jouw diagnose waren veel woensdagen gevuld met een bezoek aan jou. Bij jou thuis.

Maandag kwam je bij ons eten. Dinsdag ging je naar de dagbesteding. Donderdag was je bij ons en reden we, zoals altijd, met z’n drieën naar de fysiotherapeut in Haarlem voor Luuk. Vrijdag ging je opnieuw naar de dagbesteding.

Sinds kort had je op woensdag een maatje. Zij zou je ondersteunen bij de dagelijkse dingen in huis, samen met je koffie drinken of iets leuks ondernemen. Alles waar jij behoefte aan had.

Ook kwam op woensdag de casemanager langs. Met haar bespraken we hoe het met je ging, wat je ervoer van jouw vriend “Alzheimer”, zoals jij dat altijd noemde. Ze vroeg ook steevast hoe het met mij ging. Met mijn gezin. Met mama. Met alle ballen die ik in de lucht hield. Met mijn eigen gezondheid. Dat ik ook op mezelf moest passen.

Ik had veel steun aan haar.

Het was een woensdag in de eerste week van juni 2025.

De zon scheen. Er stond een zacht briesje en het werd niet warmer dan zeventien graden. Toen ik aankwam, stond de balkondeur open. Frisse lucht stroomde door jouw appartement.

Ik opende de deur en riep tegelijk:

“Joehoe. Goed volk.”

Woorden die aankondigden dat ik het was. Woorden die jou geruststelden als je mijn stem hoorde. Woorden die hoorden bij het zonder aanbellen binnenkomen.

Steeds vaker antwoordde jij:

“Dag kind.”

Zo kocht je tijd om op mijn naam te komen. Of om niet in je agenda te hoeven kijken welke dag het was.

Jouw blauwe ogen straalden. Maar als ik goed keek, zag ik ook leegte. Pijnlijk en verdrietig om te zien.

Je droeg een jurkje dat je de laatste tijd wel erg vaak aanhad. Eigenlijk was het er te fris voor.

“Wat wil je drinken?” vroeg je.

Zoals altijd antwoordde ik:

“Doe maar een Buisman. In een grote kop.”

De bel ging.

Bezoek.

Gelukkig kon je nog goed omgaan met het systeem van de voordeur van de seniorenflat. Je drukte op de juiste knop en liet de casemanager binnen.

Je vroeg wat zij wilde drinken, maar zij had altijd haar eigen waterfles bij zich.

Jij en ik zaten op jouw blauwe bank. De casemanager nam plaats op de blauwe leren stoel tegenover ons.

“Hoe gaat het?” vroeg ze.

Jouw blauwe ogen liepen direct vol met tranen.

Ik schrok.

Dit had ik niet zien aankomen.

Voordat de casemanager er was, had je niets tegen mij gezegd.

Je vertelde dat het klaar was.

Ik luisterde naar jouw woorden. 

Ze kwamen binnen in mijn hart. Het deed pijn om je zo te zien. Zo verdrietig.

Alles wat er nu gebeurde, was precies wat jij nooit had gewild.

Je werd gek van jezelf.

Je noemde voorbeelden van dingen die je vergat. Situaties waarin je in paniek raakte. Dingen waar je bang voor was.

Bang voor wat je te wachten stond.

Je wilde het niet.

Je wist wat je te wachten stond.

Jouw grootste schrikbeeld was een leven in een stoel aan een koffietafel in een verpleeghuis. Dat je ons dan niet meer zou herkennen.

Je wilde geen maatje.

Even nam de dementie het stuur over en vertelde je ongefilterd wat je van die mevrouw vond. Ik schaamde me voor jouw woordkeuze, maar moest er tegelijkertijd ook een beetje om lachen.

We leefden in twee werelden.

De ene dag vond je iemand aardig.

De andere dag mochten ze allemaal van de aardbol verdwijnen.

Maar over één ding was je glashelder.

Het hoefde allemaal niet meer.

Steeds opnieuw gebruikte je andere woorden om hetzelfde te zeggen.

De casemanager luisterde. Ze stelde vragen.

Ze begreep jou.

Ze begreep mij.

Ze begreep ons.

“Wat nu?” vroeg ik.

We besloten om voorlopig te stoppen met de begeleiding van het maatje.

Je reageerde zichtbaar opgelucht.

Ik sprak af dat ik een afspraak zou maken bij de huisarts om te bespreken wat je vandaag had verteld.

Mijn zus zou binnenkort in Nederland zijn. Dan konden we met z’n drieën gaan.

De casemanager vond dat een goed idee.

We maakten een nieuwe afspraak.

Ik liet haar uit.

Bij de voordeur zei ik nog dat ik benieuwd was wat het gesprek met de huisarts zou brengen.

“Is mama nog wel wilsbekwaam genoeg?”

Zoals altijd zei ze dat ik haar mocht bellen als ik daar behoefte aan had.

Ik liep terug naar de woonkamer.

Inmiddels had je de balkondeur dichtgedaan.

Je had het koud gekregen en je roze vest weer aangetrokken.

“Wil je iets drinken?” vroeg je.

“Buisman, Mel?”

Zonder mijn antwoord af te wachten, zette je een kop thee voor me neer.

Ik had frisse lucht nodig.