Ik ben op kantoor en heb verschillende afspraken met de teams waarvoor ik verantwoordelijk ben.
Elke twee weken spreek ik ieder teamlid individueel. De zogenaamde bila’s.
Voor mij zijn dat de momenten om écht even in te checken.
Even geen werk.
Geen KPI’s
Geen omzet.
Geen churn.
Gewoon vragen hoe het met iemand gaat.
Tijdens mijn vakantie is besloten dat de bila’s voortaan volgens een vast format moeten verlopen.
Een lijst met standaardvragen die vervolgens in een systeem moet worden vastgelegd.
…ook daar vind ik iets van…
Juist in deze periode besef ik hoe belangrijk een simpele vraag kan zijn.
Hoe gaat het écht met je?
Dat maakt soms het verschil.
Oprechte belangstelling tonen voor iemand.
Achter iedere medewerker zit een mens.
Een mens met een eigen verhaal, dromen, zorgen en behoeften.
De belangrijkste vraag die ik in het proces rondom mama heb geleerd, is misschien wel:
“Waar heb jij behoefte aan?”
“Wat kan ik voor je betekenen?”
Het is ook precies de vraag die mijn eigen leidinggevende mij nooit stelt.
Dat doet pijn.
Ik heb een bila met Enna.
Ze werkt iets langer dan een jaar in mijn team.
Een jonge vrouw die precies weet wat ze wil.
Gedreven.
Ambitieus.
Ze durft te reflecteren, geeft feedback en staat ook open om feedback te ontvangen.
Soms een tikkeltje eigenwijs.
En juist daarom werk ik zo graag met haar samen.
Ik coach haar met veel plezier.
Haar gezicht spreekt boekdelen.
Ze heeft temperament.
Haar roots liggen buiten Nederland en ik geniet van haar openheid.
Authentiek.
Dat zie je tegenwoordig niet zo vaak meer.
Ik zie steeds vaker mensen die vooral met zichzelf bezig zijn.
Enna niet.
Zij durft mij te vragen hoe het écht met mij gaat.
Daardoor weet zij meer van mijn situatie dan de meeste collega’s.
Het wordt steeds moeilijker om mijn professionele masker op te houden.
Vroeger zette ik dat masker figuurlijk op zodra ik de trap van het kantoorpand opliep.
Werk was werk.
Privé was privé.
Maar dat lukt niet meer.
Rouwen en leidinggeven gaan voor mij niet samen.
Ik voel me steeds slechter.
Alles lijkt grijs.
Alsof er steeds minder licht binnenkomt.
Samen lopen we de standaardvragen door.
Haar werkzaamheden zijn op orde.
Daar hoeven we niet lang bij stil te staan.
Dan kijkt Enna me aan.
“Maar… hoe gaat het écht met jou?”
Ik voel de tranen direct opkomen.
Er gebeurt zoveel.
Meer dan ik kan dragen.
Vroeger lukte dat me.
Nu niet meer.
De kast in mijn hoofd staat op omvallen.
Alle lades liggen open.
Zelfs de grootste lade.
Luuk.
Zeventien jaar zorg.
Zeventien jaar aanpassen.
Niet klagen.
Gewoon doorgaan.
Ik vertel haar dat we één dag na de uitvaart van mama te horen kregen dat er iets niet goed is met de aanleg van Luuks aorta.
Dat nieuws sloeg B en mij volledig lam.
Onze dappere Luuk.
Een controle die eigenlijk alleen voor de zekerheid werd gedaan.
Zelfs de cardioloog vroeg zich vooraf af waarom hij Luuk überhaupt moest onderzoeken.
En toch…
Wéér iets.
We hebben het ziekenhuis laten weten dat we tijd nodig hadden.
De dag na zo’n bijzondere uitvaart was simpelweg te veel.
Ik vertel Enna wat de arts heeft gezegd.
Wat de mogelijke gevolgen zijn.
En vooral…
Dat we het zelf nog helemaal niet weten.
Enna begint te huilen.
Ze vertelt dat ze thuis met haar moeder over mij heeft gesproken.
Dat ze mij dapper vindt.
Maar vooral dat ze het zó oneerlijk vindt wat ons allemaal overkomt.
De tranen lopen over onze wangen.
Onze mascara loopt uit.
Zwarte sliertjes tekenen zich af op onze gezichten.
Op de ramen van de vergaderruimte hangen ook zwarte slierten.
Ze verduisteren het glas, zodat collega’s niet naar binnen kunnen kijken.
Vandaag ben ik daar dankbaar voor.
Want zo ziet niemand wat zich in deze ruimte afspeelt.
En terwijl ik naar die zwarte sliertjes op het glas kijk…
Besef ik dat ik mij precies zo voel.
Alsof er een donkere waas over mij heen hangt.
Mensen zien mij nog wel.
Maar niet meer helemaal.









