We zitten bij de huisarts.
Vandaag is onze gezamenlijke afspraak.
Mijn zus, mama en ik zitten op drie ongemakkelijke stoelen als de huisarts vraagt:
“Wat kan ik voor u doen?”
Mama begint te praten.
Duidelijk. Geëmotioneerd.
Al snel komen de tranen. Bij mama. Bij mijn zus. Bij mij.
Er staat een doos tissues op het bureau van de huisarts. Gretig maken we er gebruik van.
Mama vertelt dat ze gek wordt van zichzelf. Dat ze steeds meer dingen vergeet.
De dagen.
De tijd.
Wat ze in een supermarkt doet.
Wat ze ook alweer moest kopen.
Hoe de wasmachine werkt.
Of de balkondeur dicht is.
Ze vertelt dat ze laatst vergeten was dat de balkondeur dicht zat en er met volle kracht tegenaan liep. Haar bril stond scheef op haar gezicht. Ze was er enorm van geschrokken.
Allemaal voorbeelden.
Zoveel voorbeelden.
Ze vertelt ook dat ze nog steeds kan genieten. Van bij ons thuis zijn. Van de dagbesteding. Van de vakantie die we samen vierden op Tenerife.
Maar bij thuiskomst wacht de vergeetachtigheid haar altijd weer op.
Onverbiddelijk.
Ik kijk naar mijn zus.
Even kruisen onze blikken elkaar.
We voelen hetzelfde.
Onze mama.
Zo oneerlijk.
Dit is waar ze haar hele leven bang voor is geweest.
Dementie.
Eindigen zoals ze het jarenlang heeft gezien tijdens haar werk in de ouderenzorg.
Dat ze op een dag haar dochters niet meer zou herkennen.
Juist datgene waarvoor ze altijd zo heeft gevreesd.
Onze mama.
Zo dapper.
En nu zo afhankelijk.
We luisteren.
“Ik vind het zo erg voor mijn meiden.”
Mijn zus en ik vertellen haar dat het goed is.
Dat ze ons mag loslaten.
Dat het goed komt met ons.
Dat we begrijpen wat ze wil.
Dat ze dit altijd heeft gezegd.
Dat alles goed komt.
Woorden die me tot op de dag van vandaag achtervolgen.
Woorden die ik uitsprak, maar waarvan de betekenis pas veel later binnenkwam.
Woorden van levend verlies.
Woorden waarvan je pas achteraf begrijpt hoe zwaar ze wegen.
De huisarts vraagt aan mama of ze begrijpt wat euthanasie betekent.
“Ja,” zegt ze.
“Dan krijg ik een spuitje en dan ga ik dood.”
Eenvoudige woorden.
Woorden die dwars door mijn hart snijden.
Mijn hoofd draait op volle toeren.
Ik voel van alles tegelijk.
Verdriet.
Angst.
Paniek.
Wat staat ons in hemelsnaam te wachten?
Ik voel de onrust opkomen.
Normaal gesproken grijp ik dan naar mijn menthol-neusstick. Ik ben er bijna verslaafd aan geraakt. De scherpe geur schudt mijn hoofd even wakker. Even ademhalen. Even aan iets anders denken.
Of het echt helpt weet ik niet.
Volgens TikTok wel.
De huisarts begint te vertellen.
Hij zegt dat hij dit jaar meerdere euthanasieverzoeken heeft begeleid.
Dat dit hem niet in de koude kleren is gaan zitten.
Mijn zus en ik knikken.
Mama herhaalt dat ze begrijpt hoe ingewikkeld dit voor hem moet zijn.
“Als arts bent u opgeleid om mensen beter te maken.”
Het klinkt misschien vreemd, maar ze heeft gelijk.
Mijn mama wordt nooit meer beter.
De dementie neemt haar leven steeds verder over.
En daarmee ook een deel van ons leven.
Het is een ongelijk gevecht.
Al heb ik een hekel aan het woord vechten als het over ziekte gaat.
Alsof iemand die overlijdt niet hard genoeg heeft gevochten.
Alsof iemand die beter wordt sterker is geweest.
Soms is het leven gewoon oneerlijk.
De huisarts vertelt verder.
“Ik vind euthanasie bij dementie ingewikkelder,” zegt hij.
“Bij een lichamelijke ziekte is ondraaglijk lijden vaak makkelijker vast te stellen. Je kunt zien wat iemand doormaakt. Bij dementie ligt dat anders.”
Hij vertelt dat hij de situatie van mama wil bespreken met het expertisecentrum euthanasie.
Mocht hij uiteindelijk besluiten het verzoek niet zelf te begeleiden, dan kunnen we daar mogelijk verder.
Een aanvraag kan acht tot tien weken duren.
Onbewust maak ik een rekensom.
Oktober.
Dan hebben we nog tijd.
Tenminste, dat denk ik.
Dan stelt de huisarts een vraag.
“Wilt u bijvoorbeeld nog kerst meemaken?”
“Nee,” zegt mama direct.
“Nee hoor.”
Ze schudt haar hoofd.
“Dan ben je alleen maar bezig met denken: dit is de laatste keer. De laatste kerst. De laatste keer dit. De laatste keer dat.”
Ze kijkt overtuigd.
“De herfst hoef ik ook niet meer mee te maken.”
Ik staar naar mijn voeten.
Naar mijn roodgelakte teennagels.
Alles voelt ineens heel ver weg.
En tegelijkertijd pijnlijk dichtbij.
De huisarts vraagt of alles duidelijk is.
We spreken af dat we alles laten bezinken.
Volgende week vrijdag komen we terug.
Dan heeft hij meer informatie.
Hij wil mama eerst alleen spreken en daarna gaan we samen verder in gesprek.
We staan op.
Geven hem een hand.
En lopen naar buiten.
Op de parkeerplaats breken we alle drie.
We huilen.
En dan zegt mama:
“Ik ben zo blij.”
Ik zie sinds lange tijd iets wat ik niet meer had gezien.
Opluchting.
Omdat ze zich gehoord voelt.
Omdat haar wens eindelijk uitgesproken is.
Omdat er wordt geluisterd naar haar angst.
En misschien ook omdat er, hoe moeilijk het ook is, een klein beetje regie terugkomt in een leven waarin de dementie steeds meer bepaalt.




