Het zal een woensdag in juni zijn geweest. Sinds jouw diagnose waren veel woensdagen gevuld met een bezoek aan jou. Bij jou thuis.
Maandag kwam je bij ons eten. Dinsdag ging je naar de dagbesteding. Donderdag was je bij ons en reden we, zoals altijd, met z’n drieën naar de fysiotherapeut in Haarlem voor Luuk. Vrijdag ging je opnieuw naar de dagbesteding.
Sinds kort had je op woensdag een maatje. Zij zou je ondersteunen bij de dagelijkse dingen in huis, samen met je koffie drinken of iets leuks ondernemen. Alles waar jij behoefte aan had.
Ook kwam op woensdag de casemanager langs. Met haar bespraken we hoe het met je ging, wat je ervoer van jouw vriend “Alzheimer”, zoals jij dat altijd noemde. Ze vroeg ook steevast hoe het met mij ging. Met mijn gezin. Met mama. Met alle ballen die ik in de lucht hield. Met mijn eigen gezondheid. Dat ik ook op mezelf moest passen.
Ik had veel steun aan haar.
Het was een woensdag in de eerste week van juni 2025.
De zon scheen. Er stond een zacht briesje en het werd niet warmer dan zeventien graden. Toen ik aankwam, stond de balkondeur open. Frisse lucht stroomde door jouw appartement.
Ik opende de deur en riep tegelijk:
“Joehoe. Goed volk.”
Woorden die aankondigden dat ik het was. Woorden die jou geruststelden als je mijn stem hoorde. Woorden die hoorden bij het zonder aanbellen binnenkomen.
Steeds vaker antwoordde jij:
“Dag kind.”
Zo kocht je tijd om op mijn naam te komen. Of om niet in je agenda te hoeven kijken welke dag het was.
Jouw blauwe ogen straalden. Maar als ik goed keek, zag ik ook leegte. Pijnlijk en verdrietig om te zien.
Je droeg een jurkje dat je de laatste tijd wel erg vaak aanhad. Eigenlijk was het er te fris voor.
“Wat wil je drinken?” vroeg je.
Zoals altijd antwoordde ik:
“Doe maar een Buisman. In een grote kop.”
De bel ging.
Bezoek.
Gelukkig kon je nog goed omgaan met het systeem van de voordeur van de seniorenflat. Je drukte op de juiste knop en liet de casemanager binnen.
Je vroeg wat zij wilde drinken, maar zij had altijd haar eigen waterfles bij zich.
Jij en ik zaten op jouw blauwe bank. De casemanager nam plaats op de blauwe leren stoel tegenover ons.
“Hoe gaat het?” vroeg ze.
Jouw blauwe ogen liepen direct vol met tranen.
Ik schrok.
Dit had ik niet zien aankomen.
Voordat de casemanager er was, had je niets tegen mij gezegd.
Je vertelde dat het klaar was.
Ik luisterde naar jouw woorden.
Ze kwamen binnen in mijn hart. Het deed pijn om je zo te zien. Zo verdrietig.
Alles wat er nu gebeurde, was precies wat jij nooit had gewild.
Je werd gek van jezelf.
Je noemde voorbeelden van dingen die je vergat. Situaties waarin je in paniek raakte. Dingen waar je bang voor was.
Bang voor wat je te wachten stond.
Je wilde het niet.
Je wist wat je te wachten stond.
Jouw grootste schrikbeeld was een leven in een stoel aan een koffietafel in een verpleeghuis. Dat je ons dan niet meer zou herkennen.
Je wilde geen maatje.
Even nam de dementie het stuur over en vertelde je ongefilterd wat je van die mevrouw vond. Ik schaamde me voor jouw woordkeuze, maar moest er tegelijkertijd ook een beetje om lachen.
We leefden in twee werelden.
De ene dag vond je iemand aardig.
De andere dag mochten ze allemaal van de aardbol verdwijnen.
Maar over één ding was je glashelder.
Het hoefde allemaal niet meer.
Steeds opnieuw gebruikte je andere woorden om hetzelfde te zeggen.
De casemanager luisterde. Ze stelde vragen.
Ze begreep jou.
Ze begreep mij.
Ze begreep ons.
“Wat nu?” vroeg ik.
We besloten om voorlopig te stoppen met de begeleiding van het maatje.
Je reageerde zichtbaar opgelucht.
Ik sprak af dat ik een afspraak zou maken bij de huisarts om te bespreken wat je vandaag had verteld.
Mijn zus zou binnenkort in Nederland zijn. Dan konden we met z’n drieën gaan.
De casemanager vond dat een goed idee.
We maakten een nieuwe afspraak.
Ik liet haar uit.
Bij de voordeur zei ik nog dat ik benieuwd was wat het gesprek met de huisarts zou brengen.
“Is mama nog wel wilsbekwaam genoeg?”
Zoals altijd zei ze dat ik haar mocht bellen als ik daar behoefte aan had.
Ik liep terug naar de woonkamer.
Inmiddels had je de balkondeur dichtgedaan.
Je had het koud gekregen en je roze vest weer aangetrokken.
“Wil je iets drinken?” vroeg je.
“Buisman, Mel?”
Zonder mijn antwoord af te wachten, zette je een kop thee voor me neer.
Ik had frisse lucht nodig.
