Ik heb inmiddels gebeld met de huisartsenpraktijk van mama en laat mijn zus weten dat we op vrijdag 20 juni een afspraak hebben bij de huisarts.
We hebben allebei geen idee wat ons te wachten staat.
Omdat de afspraak op vrijdag staat, werk ik mama’s agenda alvast bij op woensdag. Woensdag zal ik namelijk werken in plaats van vrijdag.
“Je zus komt toch naar Nederland?” vraag je aan mij.
Rustig antwoord ik dat dat klopt. Ik heb het de afgelopen twee weken al meerdere keren verteld en in haar agenda geschreven.
Maar zoals met zoveel dingen blijft het niet hangen.
“Vrijdag gaan we naar de huisarts,” herhaal ik. “We gaan er met z’n drieën heen.”
Nog voordat ik kan uitleggen waarom, spreek jij de woorden zelf uit.
“Omdat ik euthanasie krijg…”
“Nou, mama,” zeg ik bijna kinderlijk, “om te vragen of het nog mogelijk is. Of het nog kan.”
Haar blauwe ogen kijken me verschrikt aan. Ik zie iets van teleurstelling in haar blik.
“…maar ik word gek van mezelf. Ik ben nerveus van alles…”
Dit wil ik niet.
Ik luister naar haar woorden en voel van alles tegelijk. Angst. Pijn. Verdriet.
Ik ben bang.
Heel erg bang.
Zo bang dat ik het niet eens kan omschrijven.
Voor nu stop ik het weg. Mijn eigen overlevingsstrategie. Mijn spreekwoordelijke kast.
Mijn hart en hoofd zijn een kast met ontelbaar veel lades. Alles wat ik in negatieve of emotionele zin meemaak, stop ik in een lade. Zo bepaal ik zelf wanneer een lade opengaat en wanneer de inhoud wordt opgeruimd.

“Mama, ik zal er alles aan doen om jouw wens hierin te respecteren.”
We huilen samen.
“Maar wanneer komt je zus?” vraag je opnieuw.
Kloteziekte, denk ik.
Nog een keer vertel ik je het schema.
’s Avonds, als ik in bed lig, voel ik dat mijn kast begint te kraken.
Er schiet een boutje los.