We hebben net avondgegeten als mama vraagt wie haar vandaag naar huis brengt.

Ik vertel haar dat ik dat zal doen, maar dat we eerst nog de opdracht van de huisarts moeten uitvoeren.
Mama moet een brief schrijven waarin ze zelf vertelt dat ze niet meer wil leven. Dat de kwaliteit van haar leven zo slecht is geworden dat ze graag wil komen te overlijden.
Ongekend. Maar ook dit hoort bij het proces richting euthanasie.
We besluiten de brief niet in het bijzijn van mijn zoon Luuk te schrijven. We lopen samen naar boven, naar de werkkamer van mijn man.
Op de bovenste verdieping zijn drie kamers.
De kamer van Luuk.
De logeerkamer.
En de werkkamer.
Drie kamers.
Drie verschillende werelden.
De werkkamer heeft een donkere uitstraling. Mijn man heeft gekozen voor filmposters aan de muur. Geen Disneyfilms, maar donkere klassiekers, zoals Seven.
Donker en beklemmend.
Precies zoals dit proces voelt.
Net als de brief die mama moet schrijven.
Misschien is dit juist daarom de perfecte ruimte.
Ik pak een vel papier uit de printer en de pen die op het bureau ligt.
“Schrijf maar op, mama,” zeg ik.
“Wat moet ik opschrijven?” vraagt ze.
Ik kijk naar haar.
Ze draagt opnieuw haar zomerjurk uit Spanje. Haar gezicht heeft een gezonde kleur gekregen door alle uurtjes in de zon op haar balkon. Haar rode bril past er prachtig bij. Haar herkenbare rode bril.
“Waarom je euthanasie wilt,” zeg ik.
Ik krijg de woorden steeds moeilijker uit mijn mond.
Dit proces vraagt lichamelijk en geestelijk ontzettend veel van mij, merk ik. Mijn kast met lades in mijn hoofd raakt overvol.
Ik leef op de automatische piloot. Dit is wat ze bedoelen met Levend Verlies.
Mijn mama zit in die grote zwarte leren bureaustoel.
Een stoel waarin ik haar helemaal niet wil zien zitten.
Want eigenlijk wil ik haar helemaal niet kwijt.
Ik kan niet zonder haar.
Ik heb haar nodig.
Liefde is ook loslaten…
Nou, niet dus, denk ik.
“Hoe spel je euthanasie?” vraagt mama.
Ik schrijf het woord op een apart vel papier en schuif het naar haar toe.
Mama begint te schrijven.
Ze schrijft over de situaties waarin ze zichzelf steeds vaker kwijtraakt.
Dat haar geheugen haar in de steek laat.
Dat ze bang is voor de toekomst.
Bang om uiteindelijk in een verpleeghuis terecht te komen.
Ze schrijft dat ze dit niet langer wil.
Dat ze zichzelf stukje bij beetje verliest.
Dat ze gek wordt van haar eigen vergeetachtigheid.
Dat dit geen leven meer is.
Terwijl ze schrijft, maak ik een foto van haar.
Ze merkt het niet eens.
Ze is volledig verzonken in haar woorden.
Na een tijdje legt ze haar pen neer.
Ze is klaar.
“Wat zet ik eronder?” vraagt mama.
Ik heb geen idee.
Ik heb geen ervaring met dit soort brieven.
En eerlijk gezegd heb ik ook nooit de moed gehad om op te zoeken hoe zo’n brief eruit moet zien.
Bestaat er eigenlijk een handleiding?
Hoe help je als dochter je moeder bij een euthanasieverzoek?
“Zet de datum van vandaag maar op. En je handtekening.”
Ik noem de datum.
Mama schrijft hem zorgvuldig over en zet vervolgens haar vertrouwde handtekening.
Een grote C gevolgd door een krachtige punt en daarna haar achternaam.
Die handtekening ken ik al mijn hele leven.
Ooit zette ik hem zelf een keer onder een tussentijds rapport.
Kon ik maar terug naar die tijd.
Toen een handtekening nog gewoon een handtekening was.
En we niet wisten wat ons nog te wachten stond.