
Het is rond 15.30 uur als mijn zoon Luuk mij belt terwijl ik nog aan het werk ben.
Op kantoor is iedereen inmiddels bekend met zijn telefoontjes. Ik neem altijd op met dezelfde woorden.
Collega’s kunnen ze inmiddels dromen.
“Hi Luuk, met mama.”
Toen Luuk zijn eerste telefoon kreeg, leg je als ouder uit hoe je daarmee omgaat. Ik vond het een geruststellende gedachte dat ik kon zien waar hij was, dat hij mij altijd kon bereiken en ik hem.
Natuurlijk zat daar verschil in. Niet ieder telefoontje was even belangrijk. Vaak belde hij om iets te vertellen wat ook prima had kunnen wachten.
Thuis noem ik hem daarom weleens lachend Edwin Smulders, omdat hij overal verslag van doet.
Maar deze keer was het anders.
“Oma is er nog steeds niet.”
Dat was iets wat het afgelopen jaar helaas vaker gebeurde.
Sinds mama de diagnose Alzheimer had gekregen, mocht ze per direct niet meer autorijden. Ze moest haar auto inleveren. Daarmee verloor ze niet alleen haar rijbewijs, maar vooral haar vrijheid.
Vanaf dat moment kwam ze met de bus naar ons. Ze kende de route, wist welke bus ze moest nemen, hoe haar OV-kaart werkte en hoe ze vanaf de halte naar ons huis moest lopen.
Maar op die bewuste dag liet haar geheugen haar opnieuw in de steek.
Luuk maakte zich zorgen.
Oma zou er om 14.30 uur zijn. Inmiddels was het een uur later.
Hij had al zomervakantie. Hoewel hij prima een paar uur alleen thuis kon zijn, vond hij het fijn als oma er was. En ergens wist hij ook dat de tijd met haar steeds kostbaarder werd.
Hoe leg je een kind uit dat zijn oma zijn volgende verjaardag waarschijnlijk niet meer zal meemaken?
Op dat moment wisten we nog niet hoe snel het allemaal zou gaan.
Maar hij zag mijn verdriet. Hij hoorde onze gesprekken. Hij wist dat oma er nog was, maar ook dat ze door Alzheimer langzaam veranderde.
Via ‘Zoek mijn iPhone’ keek ik waar mama was.
Ik zag haar rondjes lopen in de omgeving van het station.
Mijn mama.
Die altijd zelfstandig was geweest.
En nu waarschijnlijk niet meer wist waar ze was. Waar ze naartoe moest. Of zelfs waarom ze daar liep.
Dat gevoel…
De paniek die door je lijf giert. De machteloosheid. De angst.
Ik begrijp zo goed dat mama juist dát gevoel ondraaglijk vond.
Ik liep een belhok op kantoor in en belde haar.
“Hi mama, met mij.”
Ze herkende direct mijn stem.
Ik hoorde de opluchting in de hare.
Er trok een steek door mijn lijf.
Van onze casemanager had ik geleerd om nooit te vragen: “Ben je de weg kwijt?”
In plaats daarvan vroeg ik zo luchtig mogelijk:
“Ben je er bijna?”
“Ja,” antwoordde ze. “Ik ben er bijna.”
Het voelde oneerlijk dat ik mijn moeder op deze manier iets moest vragen. Maar het was de enige manier waarop de ziekte niet meteen de regie overnam.
“Waar ben je nu, mam?”
“Bij de Albert Heijn.”
Ik slikte.
“Dan ben je er bijna. Steek bij de Albert Heijn over, loop rechtdoor en dan zie je ons huis.”
Misschien klonk het belerend.
Maar voor mama werkte het. Kleine, duidelijke aanwijzingen gaven haar houvast.
Daarna belde ik Luuk.
“Het komt goed. Oma is er bijna.”
Dat ze verdwaald was, vertelde ik hem niet.
Dat vond ik te pijnlijk.
Zijn oma betekende alles voor hem.
Ik vertelde hoe laat ik van kantoor zou vertrekken en hoe laat ik ongeveer thuis zou zijn.
Daarna liep ik het belhok weer uit en schoof opnieuw aan bij de vergadering.
Vijf jonge collega’s keken mij vragend aan.
“Alles goed?”
“Ja,” zei ik.
“Mijn mama was de weg kwijt.”
Alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Die avond reed ik naar huis.
Moe.
Leeg.
Verdrietig.
Steeds dezelfde vraag bleef door mijn hoofd gaan.
Hoe moet het nu met mijn mama?
En ondertussen dacht ik aan wat ons die avond nog te doen stond.
We gingen samen werken aan de brief.
De brief waarin mama haar euthanasiewens zou opschrijven.