Het is zaterdag.
Gisteren hadden mama en ik een afspraak bij de huisarts. Weer een stap dichterbij het onvermijdelijke.
Ik heb de zaterdagboodschappen al gedaan en ook al geluncht samen met B. Het vaste broodje paling en een portie kibbeling.
Normaal geniet ik daarvan.
Vandaag smaakt het nergens naar.
Er staan verse bloemen in mijn vazen.
Normaal word ik daar blij van.
Nu doen ze me niets.
Ik voel me kut.
Er is geen ander woord voor.
Gewoon…
Kut.
Ik besluit in bed te gaan liggen.
Ik wil dat de tijd stopt. Dat alles weer goed komt.
En met “goed” bedoel ik maar één ding.
Dat mijn mama blijft leven.
Dat ze niet ziek is.
De zon schijnt uitbundig, maar ik zie alles donker.
Als ik vroeger verdrietig was, boos of ergens mee zat, zei mama altijd:
“Maar gelukkig schijnt de zon.”
Er zit iets moois in die uitspraak.
De zon doet een mens goed.
Normaal gesproken.
Maar al die prachtige zomerdagen in juli kunnen me gestolen worden.
Voor mij voelt het als herfst.
Koud.
Grauw.
Alles is grijs.
Ik huil.
Mijn tranen droog ik aan mijn dekbed.
Zelfs mijn neus veeg ik af aan mijn T-shirt.
Niets voor mij.
In mijn hoofd kraakt, piept en scheurt de kast waarin ik alles altijd netjes had opgeborgen.
Hij staat op instorten.
Ik heb geen ducttape nodig.
Ik heb hulp nodig.
Ik ben op.
Klaar met alle mensen die denken te weten wat goed is.
Klaar met de bemoeienis.
Klaar met iedereen die over mijn grenzen heen stapt en geen respect heeft voor wat wij doormaken.
Ik heb één opdracht.
Eén belofte.
De wens van mijn moeder.
En die ga ik vervullen.
Met alle liefde die ik in me heb.
Ik zoek op Google naar rouwbegeleiding.
Er verschijnen allerlei websites.
Ik kies er één uit en bel direct.
Het is wel zaterdag, denk ik nog.
Toch wordt er opgenomen.
Een vriendelijke meneer luistert naar mijn verhaal.
Ik vertel waarvoor ik bel en waar ik behoefte aan heb.
Omdat ik in een andere regio woon, zegt hij dat hij mijn telefoonnummer zal doorgeven aan een collega.
Nog geen uur later word ik teruggebeld.
Gewoon.
Op een zaterdag.
Een rustige, warme stem stelt zich voor.
“Met Antoinette.”
Ik vertel haar mijn verhaal.
Ons verhaal.
Hoe het begon.
Waar we nu staan.
Waar ik naar op zoek ben.
De woorden stromen eruit.
Mijn adem zit hoog.
Ik voel de tranen opkomen.
Maar ik blijf praten.
En Antoinette…
Die luistert.
Echt luistert.
De eerste persoon in dit hele proces die niet meteen met oplossingen komt.
Die mij niet onderbreekt.
Die niets invult.
Die gewoon luistert.
Naar mij.
Alleen naar mij.