Zwarte sliertjes

Hoe kan je werken en rouwen tegelijkertijd? Niet dus, in mijn geval.

Ik ben op kantoor en heb verschillende afspraken met de teams waarvoor ik verantwoordelijk ben.

Elke twee weken spreek ik ieder teamlid individueel. De zogenaamde bila’s.

Voor mij zijn dat de momenten om écht even in te checken.

Even geen werk.

Geen KPI’s

Geen omzet.

Geen churn.

Gewoon vragen hoe het met iemand gaat.

Tijdens mijn vakantie is besloten dat de bila’s voortaan volgens een vast format moeten verlopen. 

Een lijst met standaardvragen die vervolgens in een systeem moet worden vastgelegd.

…ook daar vind ik iets van…

Juist in deze periode besef ik hoe belangrijk een simpele vraag kan zijn.

Hoe gaat het écht met je?

Dat maakt soms het verschil.

Oprechte belangstelling tonen voor iemand.

Achter iedere medewerker zit een mens.

Een mens met een eigen verhaal, dromen, zorgen en behoeften. 

De belangrijkste vraag die ik in het proces rondom mama heb geleerd, is misschien wel:

“Waar heb jij behoefte aan?”

“Wat kan ik voor je betekenen?”

Het is ook precies de vraag die mijn eigen leidinggevende mij nooit stelt.

Dat doet pijn.

Ik heb een bila met Enna.

Ze werkt iets langer dan een jaar in mijn team.

Een jonge vrouw die precies weet wat ze wil.

Gedreven.

Ambitieus.

Ze durft te reflecteren, geeft feedback en staat ook open om feedback te ontvangen.

Soms een tikkeltje eigenwijs.

En juist daarom werk ik zo graag met haar samen.

Ik coach haar met veel plezier.

Haar gezicht spreekt boekdelen.

Ze heeft temperament.

Haar roots liggen buiten Nederland en ik geniet van haar openheid.

Authentiek.

Dat zie je tegenwoordig niet zo vaak meer.

Ik zie steeds vaker mensen die vooral met zichzelf bezig zijn.

Enna niet.

Zij durft mij te vragen hoe het écht met mij gaat.

Daardoor weet zij meer van mijn situatie dan de meeste collega’s.

Het wordt steeds moeilijker om mijn professionele masker op te houden.

Vroeger zette ik dat masker figuurlijk op zodra ik de trap van het kantoorpand opliep.

Werk was werk.

Privé was privé.

Maar dat lukt niet meer.

Rouwen en leidinggeven gaan voor mij niet samen.

Ik voel me steeds slechter.

Alles lijkt grijs.

Alsof er steeds minder licht binnenkomt.

Samen lopen we de standaardvragen door.

Haar werkzaamheden zijn op orde.

Daar hoeven we niet lang bij stil te staan.

Dan kijkt Enna me aan.

“Maar… hoe gaat het écht met jou?”

Ik voel de tranen direct opkomen.

Er gebeurt zoveel.

Meer dan ik kan dragen.

Vroeger lukte dat me.

Nu niet meer.

De kast in mijn hoofd staat op omvallen.

Alle lades liggen open.

Zelfs de grootste lade.

Luuk.

Zeventien jaar zorg.

Zeventien jaar aanpassen.

Niet klagen.

Gewoon doorgaan.

Ik vertel haar dat we één dag na de uitvaart van mama te horen kregen dat er iets niet goed is met de aanleg van Luuks aorta.

Dat nieuws sloeg B en mij volledig lam.

Onze dappere Luuk.

Een controle die eigenlijk alleen voor de zekerheid werd gedaan.

Zelfs de cardioloog vroeg zich vooraf af waarom hij Luuk überhaupt moest onderzoeken.

En toch…

Wéér iets.

We hebben het ziekenhuis laten weten dat we tijd nodig hadden.

De dag na zo’n bijzondere uitvaart was simpelweg te veel.

Ik vertel Enna wat de arts heeft gezegd.

Wat de mogelijke gevolgen zijn.

En vooral…

Dat we het zelf nog helemaal niet weten.

Enna begint te huilen.

Ze vertelt dat ze thuis met haar moeder over mij heeft gesproken.

Dat ze mij dapper vindt.

Maar vooral dat ze het zó oneerlijk vindt wat ons allemaal overkomt.

De tranen lopen over onze wangen.

Onze mascara loopt uit.

Zwarte sliertjes tekenen zich af op onze gezichten.

Op de ramen van de vergaderruimte hangen ook zwarte slierten.

Ze verduisteren het glas, zodat collega’s niet naar binnen kunnen kijken.

Vandaag ben ik daar dankbaar voor.

Want zo ziet niemand wat zich in deze ruimte afspeelt.

En terwijl ik naar die zwarte sliertjes op het glas kijk…

Besef ik dat ik mij precies zo voel.

Alsof er een donkere waas over mij heen hangt.

Mensen zien mij nog wel.

Maar niet meer helemaal.

Febo

De dag dat mama gaat hemelen.
Het avondeten

Donderdag 28 augustus 2025

De klok tikt.

17.00 uur.

Straks komen Luuk en B ook naar het huis van mama.

De laatste uren met haar.

Ik app B dat mama zin heeft in FEBO.

FEBO.

Wie had dat ooit gedacht?

Aan de andere kant is het eigenlijk heel logisch. 

Op donderdag eten mama, Luuk en ik vaker FEBO. Het ligt op de route als we terugkomen van de fysiotherapeut van Luuk.

Een vaste gewoonte.

Een van onze vele rituelen samen.

Maar FEBO als je laatste avondmaal?

Ik geef de bestelling door aan B. 

Zij zullen het ophalen onderweg naar mama. Er zit een FEBO Drive In op de route.

In dit hele proces maak ik keuzes. 

Ik stel kaders. Soms over grote dingen, soms over dingen die voor een ander misschien nergens op slaan.

Dingen waarvan ik nu al weet: dit wil ik na mama’s dood nooit meer doen.

FEBO eten wordt er één van.

Als B en Luuk binnenkomen, voelt het als een kleine verademing.

Even een beetje verlichting op de zwaarste dag uit het leven van mijn zus en mij.

B maakt een grapje.

We lachen zelfs even.

Op deze verschrikkelijk verdrietige dag.

Mama is blij om de mannen te zien en geeft ze allebei een dikke knuffel.

“Gezellig dat jullie er ook zijn.”

Ze lijkt zich nauwelijks bewust van wat wij allemaal voelen. Alsof zij zich bevindt in een andere dimensie. 

Misschien is ze er zelf ook bewust niet mee bezig.

Dat ze over een paar uur gaat hemelen.

Voor altijd bij de zon.

Nooit meer samen naar de fysio.

Nooit meer die ritjes van Zaandam naar Haarlem.

Nooit meer samen zingen met de liedjes die Luuk heeft uitgekozen.

Nooit meer mama’s hand op mijn been als een tekst ons allebei raakt.

Omdat er een herinnering aan vastzit.

Omdat we allebei precies weten welke.

Nooit meer samen FEBO.

Nooit meer.

Mijn zus en ik dekken de tafel.

Nou ja, dekken…

We zetten wat borden, bestek en glazen neer.

Er is nog een klein beetje frisdrank.

En een blikje Fanta.

Dat blikje is voor mama.

Voor straks.

Na het drinken van “ het drankje “ straks mag ze nog iets drinken. “Het drankje” zal vies smaken is ons verteld. 

Ze koos voor Fanta.

Geen twijfel.

Geen ander drankje kwam in haar op.

Fanta.

Ondanks dat mijn zus en ik boodschappen hebben gedaan, zijn we vergeten frisdrank voor onszelf te halen.

Maar je kunt ook niet aan alles denken als je weet dat je moeder vandaag doodgaat.

Vandaag.

Vanavond. 

Over een paar uur.

Straks.

Ongekend.

Ik kan niet eten.

Mijn patat smaakt naar niets. Het voelt alsof ik op papier kauw.

Ik zie Luuk wat in zijn bakje wroeten.

“Heb je genoeg gehad, man?” vraagt mama.

Luuk kijkt haar aan.

“Ja, oma.”

Mama pakt een paar van zijn patatjes.

Zij lust er nog wel wat.

Ze zit lekker te eten.

Ik kan er bijna niet naar kijken.

Nooit meer FEBO.

Nooit meer samen patatjes eten.

Nooit meer Fanta.

Nooit meer haar stem die aan Luuk vraagt of hij genoeg heeft gehad.

Zoveel dingen die straks nooit meer zullen gebeuren.

En ik zit hier tegenover haar.

Mijn mama is er nog.

Ze eet een paar patatjes.

Ze praat.

Ze lacht.

Ze is er.

Maar over een paar uur niet meer.

Ik probeer te begrijpen wat nooit meer betekent.

Maar dat kan ik niet.

Hoe kun je je voorstellen dat iemand er nooit meer zal zijn…

als ze gewoon nog tegenover je zit?

Italië

Voor het eerst in Italië op vakantie

We zijn in Italië als de laatste dagen van juli overgaan in augustus.

Nog één maand.

Dan is mama alweer een jaar niet meer bij ons.

Het is de eerste keer dat we vakantie vieren in Italië.

Na jarenlang naar Ibiza te zijn geweest, had Luuk aangegeven dat hij graag eens iets anders wilde. Achteraf bleek dat hij eigenlijk droomde van een culturele vakantie.

Toen hij vroeg wat we allemaal gingen doen, vertelde ik enthousiast over het huis, het mooie weer, het zwembad, het heerlijke eten en dat mijn vader en Betty ook langs zouden komen.

Dat was niet wat hij bedoelde.

Hij wilde naar Rome. Door de straten dwalen, de geschiedenis ontdekken en alle bezienswaardigheden bekijken.

“Dan hadden we net zo goed naar Ibiza kunnen gaan,” zei hij droog toen ik het programma vertelde.

Ik beloofde hem dat we zeker samen een keer naar Rome zouden gaan. Niet midden in de zomer, maar op een ander moment.

En eerlijk is eerlijk…

Het huis in Italië voelt als een klein paradijs.

Het ligt verscholen tussen de olijfbomen en fruitbomen. Via een lang wit grindpad bereik je de villa. Binnen overheersen lichte kleuren en buiten zijn overal plekjes om in de zon of juist in de schaduw te zitten. 

Natuurlijk ontbreekt ook een zwembad niet.

Een verborgen plek waar alles klopt.

La Dolce Vita.

Maar al tijdens de eerste nacht kan ik niet slapen.

Ik voel onrust.

Angst.

Een soort paniek die ik niet kan verklaren.

Meerdere keren voel ik in het donker of B nog naast mij ligt.

Pas tegen de ochtend val ik een beetje in slaap.

Het gevoel is niet verdwenen als ik wakker word.

Alle vakantierituelen zijn hetzelfde als altijd.

Iedere ochtend drink ik in alle rust mijn koffie op het terras, uitkijkend over het prachtige landschap.

Het is hier adembenemend mooi.

Tijdens het ontbijt vertel ik B over de onrust die ik voel. 

Ik moet huilen.

Ik geef de schuld aan gisteren.

Het was de 28e.

De dag waarop mama overleed.

En augustus komt eraan.

Misschien is dat het wel.

B slaat een arm om mij heen.

“Alles wat je voelt, is goed.”

Maar…

er klopt iets niet.

Het gevoel blijft.

Het zit niet alleen in mijn hoofd.

Ik voel het fysiek.

Waarom juist hier?

In de periode vóór mama’s overlijden en ook daarna ben ik vaker weggeweest.

Ibiza.

Tenerife.

Bij mijn ouders in Spanje.

Zeeland.

Elke keer deed ik de oefeningen die ik van Antoinette had geleerd.

De rituelen die mij hielpen om ruimte te geven aan mijn verdriet én om weer te kunnen genieten.

Op al die plekken was mama ooit met mij geweest.

Of ik had haar erover verteld.

Ik voelde haar aanwezigheid in de herinneringen die we samen hadden gemaakt.

Ze hoorde daar nog steeds een beetje bij.

Maar Italië…

Italië is anders.

Op de vijfde ochtend word ik opnieuw wakker met hetzelfde beklemmende gevoel.

Na die eerste slapeloze nacht slaap ik inmiddels met behulp van een slaappil.

Maar zodra ik wakker word, is het gevoel er weer.

Direct.

Na mama’s overlijden omschreef ik het alsof iemand op mijn hart stond.

En ineens…

herken ik het.

Ik mis mijn moeder hier nóg meer.

Niet omdat Italië minder mooi is.

Maar juist omdat het nieuw is.

Een plek waar we nooit samen zijn geweest.

Vanaf hier heb ik haar nooit gebeld om te vertellen hoe mooi het is.

Hier heb ik nooit een jurkje, een T-shirt of een klein souvenir voor haar gekocht.

Er zijn geen herinneringen.

Geen verbinding.

Deze plek hoort bij mijn nieuwe leven.

Een leven zonder haar.

En dat doet pijn.

Thuis voelt als mama.

Ibiza voelt als mama.

Tenerife ook.

Maar Italië nog niet.

Het lucht op zodra ik dat besef.

Het lucht op dat ik het hardop uitspreek tegen B.

En dat ik er met Betty over kan praten.

Samen dobberen we in het zwembad.

We praten over rouw.

Over iemand missen.

Over hoe je verder leeft, terwijl je iemand nooit achterlaat.

Ondertussen genieten we ook.

Van het land.

Van het huis.

Van het eten.

Van de zon.

Maar vooral van elkaar.

Onze handen zijn inmiddels gerimpeld van het water.

We blijven nog even hangen bij de trap van het zwembad.

Ik koester dit soort gesprekken.

Dan zegt Betty lachend:

“Ik ga eruit. Je moeder brandt op mijn rug.”

Ik glimlach.

Precies zo voelt het.

Mijn moeder zit in de zon.

En of ik nu in Italië ben, op Ibiza of straks weer ergens anders…

Zij reist met mij mee.

Altijd.

Waar ik ook ben.

Werk

Tijdens het proces was ik ook aan het werk. Dat was niet altijd makkelijk.

Het is mijn laatste werkdag voor de vakantie.

Een vakantie waarvan ik eigenlijk niet weet hoe lang die zal duren.

In mijn hoofd voelt het niet als vakantie.

Het voelt als: nog even weg… en daarna komt mama te overlijden.

Daarna ben ik nog vrij.

Ik zie op tegen de vakantie.

Ik heb nog maar zo weinig tijd met haar en juist nu ben ik tien dagen in het buitenland.

Mama blijft zeggen dat ik gewoon moet gaan.

“Je hebt zo hard gewerkt, meid.”

Ze herhaalt het steeds opnieuw.

Ook alle betrokkenen in het traject zeggen hetzelfde.

“Ga er even tussenuit. Ga met je mannen weg. Even ademhalen.”

Even uitchecken.

Om daarna in te checken voor iets waar niemand zich ooit op kan voorbereiden.

Het proces is afgerond.

Mama heeft toestemming gekregen.

Haar wens wordt gerespecteerd.

Binnen vier weken zal de hulp bij zelfdoding plaatsvinden.

Mama heeft bewust gekozen voor hulp bij zelfdoding en niet voor euthanasie via een infuus.

Ze zal zelf een drankje drinken, waarna ze binnen een bepaalde tijd zal overlijden.

Een paar dagen geleden belde de huisarts mij daar nog over.

Ik zat op dat moment bij een klant, samen met twee collega’s uit mijn team.

Ik liep de gang op om het telefoongesprek aan te nemen.

Terwijl ik luisterde, keek ik naar de posters aan de muur.

Veiligheidsinstructies.

Helmen.

Waarschuwingsborden.

Alsof ik ineens in een andere werkelijkheid stond.

De huisarts vertelde dat hij overleg had gehad met collega’s.

Soms duurde het na het innemen van het drankje nog anderhalf uur voordat iemand overleed.

Hij vroeg hoe wij daarin stonden.

Anderhalf uur.

Ik liet mijn blik opnieuw over de posters glijden.

Toen zei ik zacht:

“Dertig minuten.”

Als mama na dertig minuten nog niet in slaap zou zijn, wilden wij dat er alsnog via een infuus medicatie zou worden toegediend.

Ik nam die beslissing zonder haar daar nog mee te belasten.

Zou ze het überhaupt nog begrijpen?

Vanaf het eerste moment had ze ingestemd met het drinken van het drankje.

Dat was haar wens.

Op kantoor ging het leven gewoon verder.

Voor een vakantie maak je een overdracht.

Omdat ik verantwoordelijk ben voor twee afdelingen, spreek ik daarnaast iedereen ook nog één-op-één.

De situatie rondom mijn moeder is bekend.

Dat is prettig

.

Niet iedereen vraagt ernaar, maar ik voel dat veel collega’s met mij meeleven.

Tijdens de gesprekken bespreken we de resultaten, de klanten, wat goed gaat en waar zorgen liggen.

Maar vlak voor mijn vakantie gaat het eigenlijk maar over één onderwerp.

De werkdruk.

Die loopt al maanden op.

Vanuit het management is duidelijk gemaakt dat er financieel geen ruimte is voor extra collega’s.

Voorlopig moeten we het hiermee doen.

Dat geeft mij een rotgevoel.

Mijn verantwoordelijkheidsgevoel laat mij niet los.

Ook in deze periode, waarin mijn moeder stervende is, ben ik er altijd.

Als mama ’s avonds weer naar huis is, open ik vaak mijn laptop nog.

En op zondag werk ik meestal ook nog een paar uur.

Ik heb met mijn teams te doen.

Ik luister.

Ik vraag waar ze behoefte aan hebben.

Wat ik voor ze kan betekenen.

Ik voel hun frustratie.

En tegelijkertijd sta ik zelf met mijn rug tegen de muur.

Ik weet dat ik er de komende drie weken niet ben.

Misschien zelfs langer.

Zolang ik op kantoor ben, kan ik nog iets betekenen.

Meehelpen.

Brandjes blussen.

Klanten te woord staan.

En zorgen voor een beetje luchtigheid op de werkvloer.

Nog nooit eerder heb ik zoveel onrust gevoeld.

Over alles.

Werk.

Mama.

De zussen van mama.

Mensen die niets van de situatie begrijpen, maar er wel een mening over hebben.

Het is waar wat ze zeggen.

Je leert jezelf kennen in moeilijke tijden.

Maar je leert ook de mensen om je heen kennen.

En dat is niet altijd mooi.

In mijn hoofd rammelen alle lades tegelijk.

Ik krijg ze niet meer dicht.

Ik ben zo ontzettend moe.

De één-op-ééngesprekken zitten erop.

Hier en daar vloeien tranen.

Ook bij mij.

Vandaag kost het me moeite om mijn professionele masker op te houden.

Als een paar collega’s de vergaderruimte verlaten, geef ik ze een knuffel.

Misschien niet heel professioneel.

Maar ik ben niet alleen leidinggevende.

Ik ben ook gewoon een mens.

Een mens met liefde voor haar werk.

En vooral voor de mensen met wie zij werkt.

Samen met twee collega’s loop ik naar de parkeerplaats.

We praten nog even na.

Dan stap ik in mijn auto.

De navigatie geeft aan dat ik ruim een uur moet rijden.

Ik zet geen muziek op.

Ik bel niet naar huis.

Ik blijf mezelf één zin herhalen.

Het is maar werk.

Ik probeer het los te laten.

Maar het lukt niet.

Mijn hoofd blijft onrustig

.

Ondanks alle overdrachten laat ik mijn werk niet met een gerust hart achter.

Er is te veel onduidelijkheid.

Te veel spanning.

Te veel onrust.

En ergens diep vanbinnen weet ik…

Dit zou zomaar kunnen klappen terwijl ik er niet ben

Op

De dag waar ik in contact kwam met Antoinette. ♥️

Het is zaterdag.

Gisteren hadden mama en ik een afspraak bij de huisarts. Weer een stap dichterbij het onvermijdelijke.

Ik heb de zaterdagboodschappen al gedaan en ook al geluncht samen met B. Het vaste broodje paling en een portie kibbeling.

Normaal geniet ik daarvan.

Vandaag smaakt het nergens naar.

Er staan verse bloemen in mijn vazen.

Normaal word ik daar blij van.

Nu doen ze me niets.

Ik voel me kut.

Er is geen ander woord voor.

Gewoon…

Kut.

Ik besluit in bed te gaan liggen.

Ik wil dat de tijd stopt. Dat alles weer goed komt.

En met “goed” bedoel ik maar één ding.

Dat mijn mama blijft leven.

Dat ze niet ziek is.

De zon schijnt uitbundig, maar ik zie alles donker.

Als ik vroeger verdrietig was, boos of ergens mee zat, zei mama altijd:

“Maar gelukkig schijnt de zon.”

Er zit iets moois in die uitspraak.

De zon doet een mens goed.

Normaal gesproken.

Maar al die prachtige zomerdagen in juli kunnen me gestolen worden.

Voor mij voelt het als herfst.

Koud.

Grauw.

Alles is grijs.

Ik huil.

Mijn tranen droog ik aan mijn dekbed.

Zelfs mijn neus veeg ik af aan mijn T-shirt.

Niets voor mij.

In mijn hoofd kraakt, piept en scheurt de kast waarin ik alles altijd netjes had opgeborgen.

Hij staat op instorten.

Ik heb geen ducttape nodig.

Ik heb hulp nodig.

Ik ben op.

Klaar met alle mensen die denken te weten wat goed is.

Klaar met de bemoeienis.

Klaar met iedereen die over mijn grenzen heen stapt en geen respect heeft voor wat wij doormaken.

Ik heb één opdracht.

Eén belofte.

De wens van mijn moeder.

En die ga ik vervullen.

Met alle liefde die ik in me heb.

Ik zoek op Google naar rouwbegeleiding.

Er verschijnen allerlei websites.

Ik kies er één uit en bel direct.

Het is wel zaterdag, denk ik nog.

Toch wordt er opgenomen.

Een vriendelijke meneer luistert naar mijn verhaal.

Ik vertel waarvoor ik bel en waar ik behoefte aan heb.

Omdat ik in een andere regio woon, zegt hij dat hij mijn telefoonnummer zal doorgeven aan een collega.

Nog geen uur later word ik teruggebeld.

Gewoon.

Op een zaterdag.

Een rustige, warme stem stelt zich voor.

“Met Antoinette.”

Ik vertel haar mijn verhaal.

Ons verhaal.

Hoe het begon.

Waar we nu staan.

Waar ik naar op zoek ben.

De woorden stromen eruit.

Mijn adem zit hoog.

Ik voel de tranen opkomen.

Maar ik blijf praten.

En Antoinette…

Die luistert.

Echt luistert.

De eerste persoon in dit hele proces die niet meteen met oplossingen komt.

Die mij niet onderbreekt.

Die niets invult.

Die gewoon luistert.

Naar mij.

Alleen naar mij.

De brief

Mama raakt steeds vaker de weg kwijt

Het is rond 15.30 uur als mijn zoon Luuk mij belt terwijl ik nog aan het werk ben.

Op kantoor is iedereen inmiddels bekend met zijn telefoontjes. Ik neem altijd op met dezelfde woorden. 

Collega’s kunnen ze inmiddels dromen.

“Hi Luuk, met mama.”

Toen Luuk zijn eerste telefoon kreeg, leg je als ouder uit hoe je daarmee omgaat. Ik vond het een geruststellende gedachte dat ik kon zien waar hij was, dat hij mij altijd kon bereiken en ik hem.

Natuurlijk zat daar verschil in. Niet ieder telefoontje was even belangrijk. Vaak belde hij om iets te vertellen wat ook prima had kunnen wachten. 

Thuis noem ik hem daarom weleens lachend Edwin Smulders, omdat hij overal verslag van doet.

Maar deze keer was het anders.

“Oma is er nog steeds niet.”

Dat was iets wat het afgelopen jaar helaas vaker gebeurde.

Sinds mama de diagnose Alzheimer had gekregen, mocht ze per direct niet meer autorijden. Ze moest haar auto inleveren. Daarmee verloor ze niet alleen haar rijbewijs, maar vooral haar vrijheid.

Vanaf dat moment kwam ze met de bus naar ons. Ze kende de route, wist welke bus ze moest nemen, hoe haar OV-kaart werkte en hoe ze vanaf de halte naar ons huis moest lopen.

Maar op die bewuste dag liet haar geheugen haar opnieuw in de steek.

Luuk maakte zich zorgen.

Oma zou er om 14.30 uur zijn. Inmiddels was het een uur later.

Hij had al zomervakantie. Hoewel hij prima een paar uur alleen thuis kon zijn, vond hij het fijn als oma er was. En ergens wist hij ook dat de tijd met haar steeds kostbaarder werd.

Hoe leg je een kind uit dat zijn oma zijn volgende verjaardag waarschijnlijk niet meer zal meemaken?

Op dat moment wisten we nog niet hoe snel het allemaal zou gaan.

Maar hij zag mijn verdriet. Hij hoorde onze gesprekken. Hij wist dat oma er nog was, maar ook dat ze door Alzheimer langzaam veranderde.

Via ‘Zoek mijn iPhone’ keek ik waar mama was.

Ik zag haar rondjes lopen in de omgeving van het station.

Mijn mama.

Die altijd zelfstandig was geweest.

En nu waarschijnlijk niet meer wist waar ze was. Waar ze naartoe moest. Of zelfs waarom ze daar liep.

Dat gevoel…

De paniek die door je lijf giert. De machteloosheid. De angst.

Ik begrijp zo goed dat mama juist dát gevoel ondraaglijk vond.

Ik liep een belhok op kantoor in en belde haar.

“Hi mama, met mij.”

Ze herkende direct mijn stem.

Ik hoorde de opluchting in de hare.

Er trok een steek door mijn lijf.

Van onze casemanager had ik geleerd om nooit te vragen: “Ben je de weg kwijt?”

In plaats daarvan vroeg ik zo luchtig mogelijk:

“Ben je er bijna?”

“Ja,” antwoordde ze. “Ik ben er bijna.”

Het voelde oneerlijk dat ik mijn moeder op deze manier iets moest vragen. Maar het was de enige manier waarop de ziekte niet meteen de regie overnam.

“Waar ben je nu, mam?”

“Bij de Albert Heijn.”

Ik slikte.

“Dan ben je er bijna. Steek bij de Albert Heijn over, loop rechtdoor en dan zie je ons huis.”

Misschien klonk het belerend.

Maar voor mama werkte het. Kleine, duidelijke aanwijzingen gaven haar houvast.

Daarna belde ik Luuk.

“Het komt goed. Oma is er bijna.”

Dat ze verdwaald was, vertelde ik hem niet.

Dat vond ik te pijnlijk.

Zijn oma betekende alles voor hem.

Ik vertelde hoe laat ik van kantoor zou vertrekken en hoe laat ik ongeveer thuis zou zijn.

Daarna liep ik het belhok weer uit en schoof opnieuw aan bij de vergadering.

Vijf jonge collega’s keken mij vragend aan.

“Alles goed?”

“Ja,” zei ik.

“Mijn mama was de weg kwijt.”

Alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

Die avond reed ik naar huis.

Moe.

Leeg.

Verdrietig.

Steeds dezelfde vraag bleef door mijn hoofd gaan.

Hoe moet het nu met mijn mama?

En ondertussen dacht ik aan wat ons die avond nog te doen stond.

We gingen samen werken aan de brief.

De brief waarin mama haar euthanasiewens zou opschrijven.

Lamskoteletten 

Het waren geen lamskoteletten vorig jaar op jouw verjaardag. Je koos destijds voor een Schnitzel. 

Samen eten met elkaar. Aan een ronde tafel. De zon scheen naar binnen. Het was een mooie zonnige dag. We genoten van elkaar gezelschap.

Het was jouw verjaardag vorig jaar, dat jij aan gaf dat je graag lamskoteletten wilde eten. Ik was onder de indruk van deze keuze, want dat kleine stukje rode vlees aan een botje, at je nooit. Je koos wel vaker voor smaken die jou eerder niet lagen. De dementie kreeg steeds meer grip. Zo ook op jouw smaak en later ook op jouw eetlust. We aten op bij Van der Valk in het dorp. Dat was prima voor jou om daar stil te staan bij jouw verjaardag. 

Twee jaar vierden we jouw verjaardag nog uitgebreid bij mij in de tuin. Een echt feestje met jouw broers en zussen, 2 dagen later kwam de diagnose Alzheimer. De diagnose veranderde alles. Maakte veel stuk en de mensen op jouw feestje raakte je kwijt. Ze lieten jou in de steek. 

Op jouw geboorte dag, geen Schnitzel, geen lamskoteletten of van der Valk. En al helemaal geen feestje. Wel tranen, verdriet, rouw en het rauwe, pijnlijke gemis. 

Wel roze rozen op jouw plek in mijn huis, met een kaart die je nooit zal lezen. Geen cadeau die ik je kan geven of vertellen dat ik van je hou. Ik haal gebak en zal een “ mama maaltijd “ bereiden. We vieren jouw verjaardag maar je bent er zelf niet fysiek bij.

Je bent nooit meer fysiek jarig en of er verjaardagen worden gevierd in de hemel weet niemand. 

Voor altijd 76. Voor altijd in mijn hart. ♥️ 

We’re lonely but not alone. 

Never be apart, we are one. ☀️